Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26-02-2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:887, AWB- 20_5500
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26-02-2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:887, AWB- 20_5500
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 26 februari 2021
- Datum publicatie
- 16 augustus 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2021:887
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2022:763, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- AWB- 20_5500
Inhoudsindicatie
WET
Uitspraak
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/5500 WET
en
Procesverloop
In het besluit van 14 oktober 2019 (primaire besluit) heeft de korpschef de aan [naam B.V.] verleende toestemming om eiser beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten, ingetrokken.
In het besluit van 11 februari 2020 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is, tegelijkertijd met de zaak met zaaknummer BRE 20/231, besproken op de zitting van de rechtbank op 1 december 2020. Hierbij waren aanwezig eiser en mr. W. Andelbeek namens de korpschef.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.
Overwegingen
Feiten
1. Bij besluit van 6 mei 2019 is aan [naam B.V.] toestemming verleend om eiser ten behoeve van dit bedrijf beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten.
Bij brief van 25 juli 2019 is het voornemen tot intrekking van die toestemming aan eiser kenbaar gemaakt. Eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. Van deze gelegenheid heeft hij bij brief van 9 augustus 2019 gebruik gemaakt.
Bij het primaire besluit is de verleende toestemming ingetrokken.
Eiser heeft op 19 november 2019 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Op 24 januari 2020 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser op 22 maart 2020 pro forma beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn door hem op 29 april 2020 ingediend.
2. In geschil is of de korpschef met toepassing van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr de verleende toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, heeft kunnen intrekken.
Standpunten partijen
3. Eiser voert aan dat geen sprake is van evident foute besluitvorming die aanleiding zou moeten zijn om de verleende toestemming in te trekken. Op de in het bestreden besluit genoemde data in de periode 2014-2019 was eiser naar zijn zeggen niet in dienst van een beveiligingsorganisatie, maar heeft hij als sfeerbeheerder bij diverse horecagelegenheden gewerkt. Omdat er geen sprake was van het verrichten van beveiligingswerkzaamheden, is artikel 7 van de Wpbr niet op hem van toepassing.
Eiser wijst voorts op de Werkinstructie vereenvoudiging uitvoering aanvraag toestemming van 24 juli 2019, waarin onder meer staat dat beveiligers die toestemming hebben verkregen, worden geregistreerd en 24/7 gemonitord. Eventuele meldingen komen in voorkomende gevallen vanzelf naar boven en die kunnen aanleiding zijn om de betrouwbaarheid nader te onderzoeken. Uit het feit dat de korpschef toestemming heeft verleend, leidt eiser af dat er van hem geen melding is geregistreerd. Pas na het voornemen tot weigering van de eenheid Zeeland-West-Brabant is de verleende toestemming ingetrokken. Eiser stelt dat de eenheid Zeeland-West-Brabant de eenheid Den Haag had moeten volgen, in plaats van andersom.
Tijdens de incidenten van 9 juni 2019 en 10 augustus 2019 was aan [naam B.V.] toestemming verleend voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden door eiser. Eiser was door [naam bedrijf] ingehuurd van [naam B.V.] . Het is de taak van de inlenende beveiligingsorganisatie om daarvan melding te maken bij de politie. Dat deze melding niet is gedaan, kan eiser niet worden aangerekend. Verder ontkent eiser dat hij bij het incident van 9 juni 2019 onvoldoende hulp heeft geboden aan een onwel geworden persoon.
Ten slotte beklaagt eiser zich over een individuele medewerker van de eenheid Zeeland-West-Brabant die zou hebben gezegd er persoonlijk voor te zorgen dat eiser nooit meer een beveiligingspas zou krijgen.
4. De korpschef stelt zich op het standpunt dat er sprake is van evident foute besluitvorming. Bij het verlenen van de vergunning is ten onrechte niet onderkend dat eiser al vaker als beveiliger heeft gewerkt zonder over de daarvoor vereiste toestemming te beschikken en heeft hij dit op 20 januari 2019 opnieuw gedaan. De eenheid Zeeland-West-Brabant hoefde de beslissing van de eenheid Den Haag niet te volgen.
Ook op 9 juni 2019 en 10 augustus 2019 heeft eiser beveiligingswerkzaamheden voor [naam bedrijf] verricht zonder de daarvoor benodigde toestemming. Daaraan doet niet af dat eiser over een geldige beveiligingspas van [naam B.V.] beschikte.
Volgens de korpschef gingen de werkzaamheden die eiser in 2019, maar ook daarvoor verrichtte de werkzaamheden van een sfeerbeheerder te boven.
Wettelijk kader
5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel rechtbank
6. Op grond van vaste jurisprudentie, zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA13510), komt verweerder beoordelingsvrijheid toe bij de beoordeling of de betrokkene voldoende betrouwbaar is. Verder mogen aan medewerkers in de beveiligingsbranche, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat de korpschef als maatstaf mag hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dienen te zijn.
Evidente fout
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef zich op het standpunt kunnen stellen dat de bij besluit van 6 mei 2019 verleende toestemming niet zorgvuldig tot stand is gekomen en evident fout is. Hieraan heeft de korpschef ten grondslag kunnen leggen dat bij de beoordeling van deze aanvraag over het hoofd is gezien dat in de periode van 2014 tot 2018 al eerder toestemming was onthouden wegens het meermalen werken als beveiliger zonder te beschikken over de vereiste toestemming en eiser op 20 januari 2019 wederom beveiligingswerkzaamheden heeft verricht zonder beveiligingspas.
Het incident van 20 januari 2019 is, in combinatie met de in het verleden geconstateerde incidenten, naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te kunnen concluderen dat op 6 mei 2019 geen toestemming zou zijn verleend, indien het besluit zorgvuldig tot stand was gekomen. De korpschef heeft er daarbij vanuit kunnen gaan dat eiser in de periode van 2014 tot 2018 meermalen beveiligingswerkzaamheden heeft verricht en niet heeft gewerkt als sfeerbeheerder, zoals eiser stelt. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de werkzaamheden de uiterlijke verschijningsvorm van beveiligingswerkzaamheden hadden. Dat ze desondanks de taken van een sfeerbeheerder niet te boven gingen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt.
Ook op 20 januari 2019 heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank beveiligings-werkzaamheden verricht. Uit het mutatierapport van die datum blijkt namelijk dat het eiser was die een bezoeker bij binnenkomst bij café [naam cafe] heeft gefouilleerd en samenwerkte met een (andere) beveiliger die hij instrueerde om naar binnen te gaan om bij een uitzetting te helpen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van dit, door een politieambtenaar opgemaakte, mutatierapport. De stelling van eiser dat hij op dat moment geen beveiligingswerkzaamheden verrichtte, omdat hij op dat moment niet in dienst was van een beveiligingsbedrijf, faalt dus.
Dit betekent dat het Tijdelijk besluit eenduidigheid besluitvorming korpscheftaken (Tijdelijk besluit) en de Werkinstructie Aanvraag toestemming Wpbr en vereenvoudiging uitvoering screening (Werkinstructie) niet aan intrekking van de verleende toestemming in de weg staan. In artikel 1 van het Tijdelijk besluit eenduidigheid besluitvorming korpscheftaken (Tijdelijk besluit) staat weliswaar dat een besluit wordt gevolgd als sprake is van dezelfde aanvrager en/of dezelfde omstandigheden en er geen sprake is van nieuwe relevante feiten of omstandigheden, maar in artikel 2 is echter een uitzondering gemaakt voor evident foute besluitvorming. En ook in de Werkinstructie wordt een voorbehoud gemaakt voor het geval dat er aanleiding is om de toestemming in te trekken.
Incidenten
8. Aan de intrekking van de verleende toestemming heeft de korpschef ook incidenten van 9 juni 2019 en 10 augustus 2019 ten grondslag gelegd.
Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 12 juni 2019 blijkt dat verbalisanten op 9 juni 2019 hebben geconstateerd dat eiser bij de toegangsdeur van een horecagelegenheid de identiteitsbewijzen van bezoekers controleerde. Hij heeft twee identiteitsbewijzen ingenomen en aan de politie overhandigd. Daarnaast heeft hij op die datum geen water aangeboden aan een onwel geworden persoon omdat ze volgens eiser buiten geen drank verstrekken. Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 15 augustus 2019 blijkt dat eiser op 10 augustus 2019 als beveiliger optrad bij een horecagelegenheid. Eiser was in kleding met het logo van de firma [naam bedrijf] en het herkenningsteken van een particuliere beveiligingsorganisatie gekleed terwijl hij persoons- en/of leeftijdscontrole verrichtte. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze op ambtseed opgemaakte processen-verbaal. Dat eiser een andere lezing heeft van de gebeurtenissen, is daartoe onvoldoende.
De stelling van eiser dat hij wel in het bezit was van de vereiste beveiligingspas, kan ook niet tot het door hem gewenste resultaat leiden. Eiser beschikte op 9 juni 2019 en 10 augustus 2019 weliswaar over een beveiligingspas voor het verrichten van beveiligingswerkzaam-heden voor [naam B.V.] , maar niet is gebleken dat hij op die data ook voor [naam B.V.] werkzaam was. Evenmin is aannemelijk geworden dat eiser door [naam B.V.] was uitgeleend aan [naam bedrijf] , maar [naam bedrijf] dit niet had gemeld aan de politie, zoals eiser stelt. Eiser heeft dit standpunt niet onderbouwd, bijvoorbeeld door een verklaring van [naam bedrijf] . Op het moment dat eiser als beveiliger voor [naam bedrijf] werkt, dient hij over toestemming te beschikken om voor dit bedrijf te werken. Niet is gebleken van de situatie als bedoeld in paragraaf 7 van de Beleidsregels particuliere beveiligings-organisaties en recherchebureaus 2019 waarin vanwege grote spoed een uitzondering op dit vereiste kan worden gemaakt. De stelling van eiser dat het niet zijn verantwoordelijkheid is om alles goed te regelen, faalt. Eiser is er ook zelf verantwoordelijk voor dat hij beschikt over de juiste papieren. Dit is in lijn met de grote mate van betrouwbaarheid en integriteit die de wetgever van beveiligingsmedewerkers eist.
Dit betekent dat de korpschef aan de intrekking van de verleende toestemming de incidenten van 9 juni 2019 en 10 augustus 2019 (mede) ten grondslag heeft kunnen leggen en op grond daarvan heeft kunnen concluderen dat eiser meermalen beveiligingswerkzaamheden heeft verricht zonder toestemming en dat dit maakt dat eiser niet beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het te verrichten werk.
Vooringenomenheid
9. De stelling van eiser dat bij de besluitvorming sprake is geweest van vooringenomenheid omdat een medewerker van KCT Zeeland-West-Brabant tegen eiser heeft gezegd dat hij er persoonlijk voor zou zorgen dat eiser nooit meer een beveiligingspas zou krijgen, kan tot slot ook niet leiden tot het door eiser gewenste resultaat. Indien al moet worden aangenomen dat een medewerker dit heeft gezegd, is niet gebleken dat deze medewerker op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het vastleggen van de incidenten die aanleiding zijn geweest tot intrekking van de toestemming en bij het besluit tot intrekking, dat is genomen door de eenheid Den Haag.
Conclusie
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef zich op het standpunt kunnen stellen dat de verleende toestemming niet gegeven had mogen worden omdat eiser niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. De korpschef was derhalve ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr bevoegd de verleende toestemming in te trekken.
11. Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Graumans, griffier, op 26 februari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: