Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-02-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:737, C/02/388860 / HA ZA 21-477

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-02-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:737, C/02/388860 / HA ZA 21-477

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
9 februari 2022
Datum publicatie
16 februari 2022
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:737
Zaaknummer
C/02/388860 / HA ZA 21-477

Inhoudsindicatie

Incident tot zekerheidsstelling. Curator kan vanwege lege boedel niet aan eventueel opgelegde zekerheidsstelling voldoen. Belang curator om verklaringsprocedure voort te kunnen zetten weegt hier het zwaarst. Zekerheidsstelling afgewezen.

Uitspraak

vonnis

Cluster II Handelszaken

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/388860 / HA ZA 21-477

Vonnis in incident van 9 februari 2022

in de zaak van

[naam eiser]

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van LEADR BV,

kantoorhoudende te Breda,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. A.M.H. Chantrel te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RECHTSBURG JURISTEN BV,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. A.C. Hansen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de curator en Rechtsburg genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding met producties genummerd 1 tot en met 7,

-

de incidentele conclusie tot het stellen van zekerheid ex artikel 477a lid 2 Rv,

-

de conclusie van antwoord in incident tot zekerheidsstelling ex artikel 477a Rv, met producties

genummerd 1 tot en met 11,

-

de akte ter kennisgeving vonnis in nevenfunctie aan de zijde van de curator, met productie 12,

-

de akte uitlaten producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De vordering in de hoofdzaak

2.1.

In de hoofdzaak vordert de curator, uit hoofde van een gelegd beslag ten laste van de heer [naam] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat Rechtsburg een onjuiste verklaring ex artikel 477a lid 2 Rv heeft afgelegd;

Primair:

II. Rechtsburg te veroordelen tot het afleggen van een aanvullende gerechtelijke verklaring met volledige inachtneming van hetgeen de curator in deze dagvaarding heeft gesteld omtrent hetgeen zij als redelijke vergoeding aan bestuurder [naam] verschuldigd is en nog verschuldigd zal worden;

III. Rechtsburg te veroordelen tot betaling aan de curator, althans de met de executie belaste gerechtsdeurwaarder, van het bedrag dat zal volgen uit de onder sub 2 genoemde verklaring (€ 3.916,66 bruto per maand), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

Subsidiair:

IV. Voor zover Rechtsburg niet alsnog een gerechtelijk verklaring aflegt dan wel een gerechtelijk verklaring aflegt die ten opzichte van de afgelegde buitengerechtelijke verklaring ongewijzigd en niet met bewijsstukken gestaafd wordt (en dus niet voldoet aan de eisen uit artikel 476a lid 2 Rv en artikel 476b Rv), Rechtsburg op de voet van artikel 477a lid 1 Rv te veroordelen tot betaling van het bedrag waarvoor beslag werd gelegd (€ 210.066,10), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

Meer subsidiair:

V. Voor zover gedaagde alsnog een gerechtelijk verklaring aflegt die niet voldoet aan het hiervoor door de curator gestelde omtrent de redelijke vergoeding ex artikel 479a Rv, op voet van artikel 477a lid 2 Rv jo. artikel 479a Rv vast te stellen dat Rechtsburg gelet op de functie en ervaring van [naam] als redelijke vergoeding € 7.500,00 bruto per maand aan hem verschuldigd zal worden, althans een bedrag per maand door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

Zowel primair als subsidiair:

VI. Een en ander met veroordeling van Rechtsburg in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten.

3 De vordering in het incident

3.1.

Rechtsburg verzoekt dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de curator veroordeelt om zekerheid te stellen voor de proceskosten ter grootte van een bedrag van € 22.882,50 voor de proceskosten in eerste aanleg en een bedrag van € 29.994,00 voor de proceskosten in hoger beroep, althans zodanige bedragen als uw rechtbank in goede justitie juist acht, door middel van betaling van deze bedragen op de bankrekening van de Stichting Derdengelden Avinci Advocaten met nummer NL95 RABO 0123 1504 18, althans op zodanige wijze dat de rechtbank juist acht, zulks binnen twee weken na het in dit incident te wijzen vonnis, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de curator in deze procedure.

3.2.

Rechtsburg legt aan de incidentele vordering ten grondslag dat het starten van de procedure door de curator volstrekt onnodig is geweest en feitelijk is gebaseerd op het wantrouwen van de curator tegen de verklaring die Rechtsburg heeft afgelegd. Rechtsburg heeft bij de derdenverklaring aangegeven desgewenst een nadere toelichting te kunnen geven, maar hiervan heeft de curator pas gebruik gemaakt tegelijk met het aanbrengen van de dagvaarding. De curator heeft daarna de procedure ook niet ingetrokken. Door de procedure wordt Rechtsburg fors ok kosten gejaagd. Omdat Rechtsburg slechts eenmaal kan verzoeken om zekerheidsstelling, wenst zij ook zekerheidsstelling voor te verwachten proceshandelingen, zowel in de voorliggende procedure als in hoger beroep. Rechtsburg begroot deze kosten op respectievelijk € 22.882,50 en € 29.994,00.

4 Het verweer in het incident

5 De beoordeling in het incident

6 De beslissing