Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-05-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3447, C/02/421494 / HO RK 24/308 e.a.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-05-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3447, C/02/421494 / HO RK 24/308 e.a.
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 17 mei 2024
- Datum publicatie
- 28 mei 2024
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3447
- Zaaknummer
- C/02/421494 / HO RK 24/308 e.a.
Inhoudsindicatie
WHOA. Verzoeksters zijn niet-ontvankelijk in hun homologatieverzoeken. Instemmende schuldeiser is geen klasse als bedoeld in artikel 383 lid 1 Fw.
Uitspraak
vonnis
Team Insolventies – meervoudige kamer
Locatie: Breda
verzoeken tot homologatie van een drietal akkoorden en verzoeken tot afwijzing van het homologatieverzoek van die drie akkoorden
rekestnummers: C/02/421494 / HO RK 24/308
C/02/421495 / HO RK 24/309
C/02/421497 / HO RK 24/310, en
C/02/421910 / HO RK 24/353
C/02/421911 / HO RK 24/354
C/02/421912 / HO RK 24/355
uitspraakdatum: 17 mei 2024
Vonnis op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 383 lid 1 Faillissementswet (Fw) en op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 383 lid 8 Fw in de besloten akkoordprocedures buiten faillissement, van:
de besloten vennootschap
[verzoekster 1] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster 1] ,
de besloten vennootschap
[verzoekster 2] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster 2] ,
en
de besloten vennootschap
[verzoekster 3] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster 3] ,
hierna gezamenlijk ook verzoeksters,
advocaten: mr. R.R.M. van den Heuvel en mr. G.J.C. Wessels,
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:
- -
-
de startverklaringen ex artikel 370 lid 3 Fw, gedeponeerd op 1 september 2023;
- -
-
de stemverslagen met bijlage ex artikel 382 Fw, gedeponeerd op 12 april 2024;
- -
-
het verzoekschrift tot homologatie van een onderhands akkoord met producties 1 tot en met 14 van [verzoekster 1] , [verzoekster 2] en [verzoekster 3] ex artikel 383 lid 1 Fw, ingekomen op 18 april 2024;
- -
-
de beschikking dagbepaling behandeling homologatie en aanstelling observator van 22 april 2024;
- -
-
de brief van mr. [observator] (hierna: de observator) inzake de begroting van zijn kosten gedateerd 24 april 2024, ingekomen op 26 april 2024;
- -
-
de door de rechtbank bij de advocaat van verzoeksters opgevraagde bijlagen 1 tot en met 3 behorende bij de akkoorden van [verzoekster 1] , [verzoekster 2] en [verzoekster 3] , ingekomen op 30 april 2024;
- -
-
het verzoekschrift tot afwijzing van de homologatie van de akkoorden met bijlagen 1 tot en met 11, van de [overheidsinstelling 1] (hierna: de [overheidsinstelling 1] ) ex artikel 383 lid 8 Fw, ingekomen op 1 mei 2024;
- -
-
de zienswijze met producties 1 tot en met 6 van de observator ex artikel 384 lid 7 Fw, alsmede verzoek om een fysieke zitting te bepalen, ingekomen op 2 mei 2024;
- -
-
de door de observator toegezonden productie 7, ingekomen op 2 mei 2024;
- -
-
de beslissing van de verschoningskamer van deze rechtbank van 2 mei 2024 in de procedure met kenmerk C/02/421939/HA RK 24-77 inzake de verschoning van mr. Leppens;
- -
-
het bericht van de rechtbank van 2 mei 2024 inzake de nieuwe samenstelling van de rechtbank, alsmede de daaropvolgende communicatie omtrent de geplande behandeling op 3 mei 2024;
- -
-
het bericht van de rechtbank van 3 mei 2024 dat een nieuwe datum voor de behandeling is bepaald op 6 mei 2024 om 14:00;
- -
-
de door de observator toegezonden productie 8, ingekomen op 6 mei 2024;
- -
-
het salarisverzoek van de observator, overgelegd ter zitting op 6 mei 2024;
- -
-
de reactie van mr. Wessels van 13 mei 2024 op het salarisvoorstel van de observator.
De verzoeken zijn op 6 mei 2024 in raadkamer behandeld, waarbij het [overheidsinstelling 2] via een online videoverbinding aanwezig was. Verzoeksters en de [overheidsinstelling 1] hebben spreekaantekeningen overgelegd en hun standpunten nader toegelicht.
Daarbij zijn de volgende personen op de rechtbank verschenen en gehoord:
Aan de zijde van [verzoekster 1] , [verzoekster 2] en [verzoekster 3] :
- dhr. [naam 1] , indirect bestuurder via [B.V. 1] en [B.V. 2] ;
- mr. R.R.M. van den Heuvel, advocaat;
- mr. G.J.C. Wessels, advocaat;
- mevr. [naam 2] , werkzaam bij [B.V. 3] ;
Aan de zijde van de [overheidsinstelling 1] :
- mr. [naam 3] ;
- mr. [naam 4] ;
- mevr. [naam 5] ;
Aan de zijde van [N.V.] / [B.V. 8] :
- dhr. [naam 6] ;
- dhr. [naam 7] ;
- dhr. [naam 8] ;
Aan de zijde van [B.V. 9] en [B.V. 10] :
- mr. S.S. van Dam, advocaat;
De observator:
- mr. [observator] ;
Via een online videoverbinding zijn verschenen en gehoord:
Aan de zijde van het [overheidsinstelling 2] :
- mr. [naam 9] , juridisch medewerker Advies en Beleid;
- dhr. [naam 10] , juridisch medewerker Advies en Beleid;
- dhr. [naam 11] ;
De rechtbank heeft ter zitting de uitspraak bepaald op 21 mei 2024 of zoveel eerder als mogelijk is.
2 De feiten
De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten.
Verzoeksters maken onderdeel uit van een groep die actief is in de [branche] . [B.V. 4] (hierna: [B.V. 4] ) is de topholding van deze groep. [B.V. 4] houdt 100% van de aandelen in [B.V. 1] (hierna: [B.V. 1] ). [B.V. 1] houdt 100% van de aandelen in een vijftal werkmaatschappijen: [verzoekster 1] , [verzoekster 2] , [verzoekster 3] , [B.V. 5] en [B.V. 6]
In 2018 heeft een gedeeltelijke overname van aandelen plaatsgevonden. De oorspronkelijke aandeelhouders hebben een belang van 60% in [B.V. 4] verkocht aan [B.V. 7] en een belang van 40% gehouden. [B.V. 4] heeft in 2018 leningen afgesloten bij [bank] en (een fonds van) [verzekeringsmaatschappij] ter financiering van de overname van de aandelen. [bank] heeft daartoe een 5-jarige lening verstrekt ter hoogte van 6,5 miljoen euro. [verzekeringsmaatschappij] heeft een (achtergestelde) lening verstrekt van 3,8 miljoen euro. Voor deze overnamefinanciering hebben [B.V. 1] en (in ieder geval) [verzoekster 2] , [verzoekster 1] en [verzoekster 3] zekerheden verstrekt en getekend voor hoofdelijke aansprakelijkheid. De financiële verplichtingen met betrekking tot de overname zijn vanuit de werkmaatschappijen voldaan.
In het eerste kwartaal van 2023 is de overnamefinanciering bij [bank] volledig (vervroegd) afgelost. Op de vorderingen van de [overheidsinstelling 1] en het [overheidsinstelling 2] , die vooral voortkwamen uit steunmaatregelen tijdens de Coronacrisis, is niet afbetaald.
De [B.V. 4] heeft in samenspraak met [B.V. 3] (hierna: [B.V. 3] ) verschillende herstructureringsmaatregelen onderzocht en gekozen voor een herstructurering van de schuldenlast van drie werkmaatschappijen door middel van het aanbieden van een akkoord onder de WHOA. [B.V. 3] heeft ook de reorganisatiewaarden berekend. [verzoekster 1] , [verzoekster 2] en [verzoekster 3] hebben elk afzonderlijk, tegelijkertijd, een akkoord aan hun schuldeisers voorgelegd. Zij doen dit aan dezelfde schuldeisers, waardoor de afzonderlijke akkoorden in samenhang dienen te worden gezien.
3 Het akkoord en de stemming
[verzoekster 1] , [verzoekster 2] en [verzoekster 3] hebben – nadat zij enkele conceptakkoorden hebben voorgelegd aan de schuldeisers – op 7 maart 2024 de definitieve akkoorden aangeboden.
[verzoekster 1] , [verzoekster 2] en [verzoekster 3] hebben de (vorderingen van de) stemgerechtigden ingedeeld in de volgende klassen:
|
[verzoekster 1] |
Klasse |
Vordering |
|
[bank] |
Gezekerde klasse |
833.333 |
|
[overheidsinstelling 1] |
Preferente klasse |
1.119.089 |
|
[verzekeringsmaatschappij] |
Hoofdelijk Gezekerde klasse |
3.556.753 |
|
[overheidsinstelling 2] / [regeling] |
Concurrente klasse |
512.415 |
|
Totale schuld excl groepsmaatschappijen |
6.021.590 |
|
[verzoekster 2] |
Klasse |
Vordering |
|
[bank] |
Gezekerde klasse |
833.333 |
|
[overheidsinstelling 1] |
Preferente klasse |
1.297.503 |
|
[verzekeringsmaatschappij] |
Hoofdelijk Gezekerde klasse |
3.556.753 |
|
[overheidsinstelling 2] / [regeling] |
Concurrente klasse |
612.139 |
|
Totale schuld excl groepsmaatschappijen |
6.299.728 |
|
[verzoekster 3] |
Klasse |
Vordering |
|
[bank] |
Gezekerde klasse |
833.333 |
|
[overheidsinstelling 1] |
Preferente klasse |
301.161 |
|
[verzekeringsmaatschappij] |
Hoofdelijk Gezekerde klasse |
3.556.753 |
|
[overheidsinstelling 2] / [regeling] |
Concurrente klasse |
834.850 |
|
Totale schuld excl groepsmaatschappijen |
5.526.097 |
Verder kent ieder akkoord nog een vijfde klasse: de intercompany schuldeisers. Voor [verzoekster 1] is dit: [verzoekster 2] . Voor [verzoekster 2] en [verzoekster 3] zijn dit: [B.V. 1] en [verzoekster 1] .
De akkoorden houden, blijkens hun tekst en de toelichting van verzoeksters, het navolgende in:
- -
-
Gezekerde Schuldeiser: De schuld aan [bank] betreft een schuld uit hoofde van een factoringovereenkomst (de Comfin-faciliteit). [bank] is op grond van deze financiering een gezekerde schuldeiser die volledig wordt gedekt door haar zekerheden. In elk van de akkoorden krijgt zij uit dien hoofde een 100% uitkering. Haar schuld is in drie gelijke delen verdeeld over verzoeksters, zodat zij nooit meer aan uitkeringen kan ontvangen dan het totaal van de aan haar uitstaande schuld. Omdat de vordering van [bank] fluctueert als gevolg van de aard van de faciliteit en omdat de stand van de debiteuren niet op elk moment gelijk is, is aangesloten bij de gemiddelde stand van de uitstaande schuld. De gemiddelde schuld bedroeg ongeveer € 2,5 mln. en derhalve betreffen de gelijke delen in de akkoorden elk € 833.333,00.
- -
-
Preferente Schuldeiser: De [overheidsinstelling 1] als preferente schuldeiser krijgt in elk van de akkoorden een percentage van de uitstaande schuld op de betreffende entiteit. Om het percentage te bepalen is aan de hand van de reorganisatiewaarden van [verzoekster 1] , [verzoekster 2] en [verzoekster 3] gekeken hoeveel procent van de vordering uitgekeerd kon worden en hoeveel procent van de vordering aan de klassen van de preferente schuldeiser, hoofdelijk gezekerde schuldeiser en concurrente schuldeiser uitgekeerd kon worden om de gehele reorganisatiewaarde aan te bieden. In het akkoord van [verzoekster 1] komt dit voor de [overheidsinstelling 1] neer op 30% en in de akkoorden van [verzoekster 3] en [verzoekster 2] op 3,8%.
- Hoofdelijk Gezekerde Schuldeiser: Het aanbod aan [verzekeringsmaatschappij] als hoofdelijk gezekerde schuldeiser komt in elk van de akkoorden neer op het verlagen van het obligo naar € 1.337.339,12, welke verlaging ook is overeengekomen in de buitengerechtelijke akkoorden van de andere entiteiten behorende tot de [B.V. 4] . Omdat alle entiteiten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor deze schuld, is het volledige bedrag van deze vordering in alle drie de akkoorden opgenomen.
- Concurrente Schuldeiser: [overheidsinstelling 2] als concurrente schuldeiser krijgt in elk van de akkoorden een percentage van haar uitstaande schuld op de betreffende entiteit. Om het percentage te bepalen is aan de hand van de reorganisatiewaarden van [verzoekster 1] , [verzoekster 2] en [verzoekster 3] gekeken hoeveel procent van de vordering uitgekeerd kon worden en hoeveel procent van de vordering aan de klassen van de preferente schuldeiser, hoofdelijk gezekerde schuldeiser en concurrente schuldeiser uitgekeerd kon worden om de gehele reorganisatiewaarde aan te bieden. In het akkoord van [verzoekster 1] komt dit voor het [overheidsinstelling 2] neer op 30% en in de akkoorden van [verzoekster 3] en [verzoekster 2] op 3,8%.
- Intercompany Schuldeiser(s): In elk van de akkoorden worden de vorderingen van entiteiten uit de [B.V. 4] op [verzoekster 1] , [verzoekster 2] en [verzoekster 3] kwijtgescholden.
Handelscrediteuren (dwangcrediteuren) en bedrijfstakpensioenfondsen zijn buiten het akkoord gehouden.
De stemgerechtigde schuldeisers konden aanvankelijk tot 21 maart 2024 stemmen. Deze termijn is tot tweemaal toe verlengd in verband met lopende gesprekken met twee schuldeisers en uiteindelijk verlengd tot en met 5 april 2024 te 23:59 uur.
De advocaten van [verzoekster 1] , [verzoekster 2] en [verzoekster 3] hebben de stemverslagen op 12 april 2024 op de griffie van de rechtbank gedeponeerd.
De uitslag van de stemming is als volgt. In alle akkoorden hebben [bank] (Gezekerde Schuldeiser), [verzekeringsmaatschappij] (Hoofdelijk Gezekerde Schuldeiser) en de intercompany schuldeisers voor gestemd. De [overheidsinstelling 1] (Preferente Schuldeiser) en het [overheidsinstelling 2] (Concurrente Schuldeiser) hebben tegen de akkoorden gestemd.
De Comfin-faciliteit is door [bank] opgezegd tegen (aanvankelijk) 31 maart 2024. Als opvolgende financier gaat [financier] een faciliteit ter beschikking stellen. [financier] wil echter pas instappen zodra het akkoord ofwel is aangenomen ofwel gehomologeerd. [bank] heeft ermee ingestemd de Comfin-faciliteit vooralsnog niet te beëindigen. Zij heeft daarvoor nieuwe afspraken gemaakt met verzoeksters en daarvoor ook een afsluitprovisie ontvangen.