Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11-09-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:6282, AWB-22_4817
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11-09-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:6282, AWB-22_4817
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 11 september 2024
- Datum publicatie
- 13 september 2024
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6282
- Formele relaties
- Herstelde uitspraak: ECLI:NL:RBZWB:2024:3897
- Zaaknummer
- AWB-22_4817
Inhoudsindicatie
WOZ woning, hersteluitspraak
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4817
hersteluitspraak van 11 september 2024 ter verbetering van de uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. R. van der Weide, verbonden aan Bezwaarmaker.nl),
en
de heffingsambtenaar van Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland (gemeente Vlissingen),
en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in deze zaak op 12 juni 2024 uitspraak gedaan. De heffingsambtenaar heeft op 8 augustus 2024 een herzieningsverzoek ingediend. Hierin heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat in de uitspraak de naam van de heffingsambtenaar onjuist is opgenomen. Tevens worden de proceskosten in overweging 12.1 toebedeeld aan de heffingsambtenaar en in de beslissing wordt de Staat veroordeeld.
De rechtbank stelt vast dat de uitspraak van de rechtbank een misslag bevat. Op pagina 1 van de uitspraak staat als naam van de heffingsambtenaar “Sabewa Zeeland”.
Ter voorkoming van misverstanden wordt deze misslag hierbij hersteld. Herstel van de misslag brengt mee dat de naam van de heffingsambtenaar komt te luiden: “Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland”.
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 12.1 van de uitspraak onder meer overwogen:
“[...] De vergoeding bedraagt dus € 218,75, te betalen door de heffingsambtenaar.”
De rechtbank is van oordeel dat daar had moeten staan.
“De vergoeding bedraagt dus € 218,75, te betalen door de Staat.”
De rechtbank merkt op dat het dictum correct is en dit leidend is.
Hetgeen de heffingsambtenaar voor het overige aanvoert, betreft geen kennelijke misslag. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding voor een herstelbeslissing daarin.