Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29-10-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:7411, C/02/426580 HO RK 24-702

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29-10-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:7411, C/02/426580 HO RK 24-702

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29 oktober 2024
Datum publicatie
6 november 2024
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2024:7411
Zaaknummer
C/02/426580 HO RK 24-702

Inhoudsindicatie

WHOA. Aspectenverzoek (378 Fw).

Uitspraak

beschikking

Cluster III Insolventie en kanton beheerszaken – meervoudige kamer

Zittingsplaats Breda

beschikking op grond van artikel 378 Fw (aspectenverzoek)

rekestnummer: C/02/426580 HO RK 24-702

uitspraakdatum: 29 oktober 2024

beschikking in de besloten akkoordprocedure van:

de besloten vennootschap

[verzoekster]

statutair gevestigd te [plaats 1] ,

kantoorhoudende te [plaats 2] ,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. R.W.A. Brunninkhuis.

Door [verzoekster] zijn als belanghebbenden aangeduid:

1. de naamloze vennootschap

[belanghebbende 1] N.V.,

te [plaats 3] ,

hierna: [belanghebbende 1] ,

niet verschenen,

2. de vennootschappen naar buitenlands recht

[vennootschap 1] ,

[vennootschap 2] ,

[vennootschap 3] en

te [plaats 4] ( [land] ),

hierna samen te noemen: [belanghebbenden 2] ,

advocaat: mr. E.C. Aantjes-Breel,

3. de vennootschap naar buitenlands recht

[belanghebbende 3] ,

te [plaats 5] ( [land] ),

hierna: [belanghebbende 3] ,

advocaat: mr. M. Niermeijer,

4. de heer

[belanghebbende 4]

te [plaats 6] ,

hierna: [belanghebbende 4] ,

verschenen in persoon,

1 De procedure

1.1.

[verzoekster] heeft op 28 februari 2024 een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw ter griffie gedeponeerd.

1.2.

[verzoekster] heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.

1.3.

[verzoekster] heeft op 13 september 2024 ter griffie een verzoekschrift, met tien bijlagen, ingediend strekkende tot het doen van een uitspraak over aspecten die van belang zijn in het kader van een WHOA-traject (als bedoeld in artikel 378 Fw).

1.4.

Bij brief van 23 september 2024 heeft de rechtbank [verzoekster] opgeroepen om aanwezig te zijn bij de behandeling van het verzoek ter zitting van 10 oktober 2024 om 10:00 uur. In de brief heeft de rechtbank [verzoekster] erop gewezen dat zij de door haar aangeduide belanghebbenden onverwijld, maar uiterlijk 27 september 2024 voor 12:00 uur dient op te roepen voor deze zitting en hen dient te wijzen op de mogelijkheid om een schriftelijke zienswijze in te dienen.

1.5.

Op 7 oktober 2024 heeft de rechtbank een schriftelijke zienswijze van [belanghebbende 4] ontvangen.

1.6.

Op 8 oktober 2024 heeft de rechtbank een schriftelijke zienswijze van [belanghebbende 3] ontvangen.

1.7.

De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 9 oktober 2024 een e-mail van [belanghebbende 1] van 2 augustus 2024 in het geding gebracht.

1.8.

Op verzoek van de rechtbank heeft [verzoekster] op 9 oktober 2024 de huurovereenkomsten met de hiervoor genoemde belanghebbenden twee tot en met vier in het geding gebracht, alsmede een berekening van de schadevergoedingsvorderingen indien uit zou worden gegaan van de resterende looptijd van de huurovereenkomsten.

1.9.

Het aspectenverzoek is op 10 oktober 2024 in raadkamer behandeld en nader toegelicht. Ter zitting zijn verschenen en gehoord:

- de heer [naam 1] , (indirect) bestuurder van [verzoekster] ;

- de heer [naam 2] van [adviseur] , adviseur van [verzoekster] ;

- mr. R.W.A. Brunninkhuis, advocaat van [verzoekster] ;

- de heer [belanghebbende 4] (en met toestemming van de overige aanwezigen ook zijn echtgenote);

- mr. E.C. Aantjes-Breel, advocaat van [belanghebbenden 2] .

1.10.

Mr. Niermeijer heeft op 9 oktober 2024 (rond 16:47 uur) verzocht digitaal aan te mogen sluiten bij de zitting. Dat verzoek is afgewezen. De rechtbank heeft de door hem namens [belanghebbende 3] ingediende zienswijze bij onderstaande beoordeling betrokken.

1.11.

[belanghebbende 1] heeft geen zienswijze ingediend en is evenmin ter zitting verschenen.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] exploiteert een onderneming die zich bezighoudt met [bedrijfsactiviteiten] . [verzoekster] maakt onderdeel uit van de [groep] , waaronder ook andere vennootschappen vallen zoals [B.V. 1] en [B.V. 2] Het akkoord waar het in deze procedure om gaat, ziet enkel op [verzoekster] .

2.2.

[adviseur] heeft een (concept-)rapportage opgesteld waaruit de contouren van het akkoord blijken. Ook heeft [bedrijf 2] een taxatierapport opgesteld waaruit blijkt hoe de liquidatiewaarde van [verzoekster] in haar denkbeeldige faillissement is becijferd.

2.3.

In het conceptakkoord dat [verzoekster] wenst aan te bieden zijn de schuldeisers in de volgende klassen onderverdeeld:

-

Klasse 1: Groepsmaatschappijen;

-

Klasse 2: [belanghebbende 1] ;

-

Klasse 3: Belastingdienst ter zake loonheffingen;

-

Klasse 4: Concurrente schuldeisers;

-

Klasse 5: Verhuurders met toekomstige schadevergoedingsvorderingen (huurschade).

2.4.

Bij de verdeling van de beschikbare waarde onder het akkoord hanteert [verzoekster] de volgende uitgangspunten:

-

Elke schuldeiser krijgt haar minimale positie die hij ook zou ontvangen bij een faillissement van [verzoekster] ;

-

De groepsmaatschappijen (klasse 1) krijgen over het gedeelte waar zij geen uitkering over zouden ontvangen bij een faillissement van [verzoekster] een uitkering (non-cash) van 20% op hun vorderingen;

-

[belanghebbende 1] (Klasse 2) blijft voor het gedeelte van haar vordering dat gedekt is door haar zekerheidsrechten, 100% als financier/schuldeiser aan [verzoekster] verbonden;

-

[belanghebbende 1] (Klasse 2) blijft over het gedeelte van haar vordering dat niet gedekt is door haar zekerheden, voor 20% als financier/schuldeiser aan [verzoekster] verbonden;

-

De Ontvanger van de Belastingdienst (Klasse 3) krijgt over het gedeelte waar hij geen uitkering over zou ontvangen bij een faillissement van [verzoekster] een uitkering van 20% op zijn vorderingen ter zake loonheffingen;

-

Elke concurrente schuldeiser (Klasse 4) krijgt over het gedeelte waar hij geen uitkering over zou ontvangen bij een faillissement van [verzoekster] een uitkering van 20%;

-

Elke verhuurder met een toekomstige schadevergoedingsvordering (Klasse 5) krijgt over het gedeelte waar hij geen uitkering over zou ontvangen bij een faillissement van [verzoekster] een uitkering van 10%;

-

De btw-schuld van de fiscale eenheid voor de omzetbelasting, inclusief de verschuldigde btw op de voet van artikel 29 lid 7 Wet OB, wordt niet in het akkoord betrokken;

-

De aandeelhouder [B.V. 3] blijft (als verschaffer van eigen vermogen) buiten het akkoord. De aandeelhouder/de [groep] stelt middelen aan [verzoekster] ter beschikking zodat de contante betalingen onder het akkoord voldaan kunnen worden.

2.5.

[verzoekster] wil in het kader van het WHOA-traject een vijftal huurovereenkomsten eenzijdig opzeggen. [verzoekster] heeft voor de begroting van de daaruit voortvloeiende schadevergoedingsvorderingen (klasse 5) als uitgangspunt genomen dat het redelijk is dat de verhuurders binnen twaalf maanden tot wederverhuur zullen komen. [verzoekster] hanteert een opzegtermijn van drie maanden vanaf de datum van homologatie van een akkoord. De maandtermijnen over die opzegperiode zullen volledig worden voldaan. Op de overige negen maandhuurtermijnen – die [verzoekster] als schade ziet – zal zij een akkoordpercentage van 10% aanbieden.

3 Het aspectenverzoek

3.1.

Over een aantal uitgangspunten/aspecten van het conceptakkoord is een geschil gerezen. [verzoekster] verzoekt de rechtbank daarom op grond van artikel 378 Fw een tussentijds oordeel te geven.

3.2.

In 3.1. van het verzoekschrift staan de volgende aspecten benoemd, die verderop in het verzoekschrift door [verzoekster] zijn uitgewerkt:

  1. De vraag of de bij de berekening van de liquidatiewaarde van [verzoekster] gehanteerde aanname juist is dat in een denkbeeldig faillissement van [verzoekster] geen regresvorderingen ontstaan in het vermogen van [verzoekster] op basis van de door [verzoekster] met de overige groepsvennootschappen gesloten non-regresovereenkomst (een aspect in het kader van artikel 378 lid 1 sub a Fw);

  2. De vraag of verhuurders met een (toekomstige) schadevergoedingsvordering vanwege de beëindiging van de betreffende huurovereenkomsten in een andere klasse dan de concurrente schuldeisers kunnen worden opgenomen (een aspect in het kader van artikel 378 lid 1 sub b Fw);

  3. De vraag of een wederpartij met een toekomstige schadevergoedingsvordering in de zin van artikel 373 lid 2 Fw kwalificeert als een MKB-schuldeiser in de zin van artikel 374 lid 2 sub a Fw (een aspect in het kader van artikel 378 lid 1 sub b Fw);

  4. De vraag of [belanghebbende 1] een stemgerechtigde schuldeiser is (een aspect in het kader van artikel 378 lid 1 sub c Fw); en

  5. De vraag of de begroting van de toekomstige schadevergoedingsvorderingen waarvoor de betreffende wederpartijen/schuldeisers tot de stemming worden toegelaten juist is (een aspect in het kader van artikel 378 lid 1 sub c Fw).

3.3.

In het petitum van haar verzoekschrift vraagt [verzoekster] de rechtbank om (i) een uitspraak te doen over voornoemde aspecten en (ii) te bepalen of en tot welk bedrag [belanghebbende 1] en de betreffende verhuurders van [verzoekster] tot de stemming over het akkoord worden toegelaten.

3.4.

Ter zitting heeft [verzoekster] haar verzoek, voor zover betrekking hebbend op aspect 3, ingetrokken.

3.5.

Hierna zal onder de beoordeling nader worden ingegaan op de stellingen van [verzoekster] .

4 De zienswijzen

5 De beoordeling

6 De beslissing