Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19-03-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1670, 424620 / HA ZA 24-383 (E)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19-03-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1670, 424620 / HA ZA 24-383 (E)
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 19 maart 2025
- Datum publicatie
- 25 maart 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1670
- Zaaknummer
- 424620 / HA ZA 24-383 (E)
Inhoudsindicatie
Peeters/Gatzen-vordering
Uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/424620 / HA ZA 24-383
Vonnis van 19 maart 2025
in de zaak van
MR. [de curator] in hoedanigheid van curator in het faillissement van de vennootschap [B.V. 1],
kantoorhoudend te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. N.T.F. van Barschot,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. E.C.G. van Loon en mr. E. Evenblij.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 11 september 2024 en de daarin genoemde stukken,
– de akte overlegging aanvullende producties 14 tot en met 19 van de curator,
– de akte aanvullende productie 6 van [gedaagde] ,
– de mondelinge behandeling van 14 januari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
– de spreekaantekeningen van mr. N.T.F. van Barschot, zoals deze zijn overgelegd en
voorgedragen op de mondelinge behandeling,
– de spreekaantekeningen van mr. E.C.G. van Loon en mr. E. Evenblij, zoals deze zijn
overgelegd en voorgedragen op de mondelinge behandeling.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[B.V. 1] (hierna: [B.V. 1] ) was een vennootschap die een transportonderneming dreef. Bestuurder van deze vennootschap was de heer [bestuurder 1] (hierna: [bestuurder 1] ).
In de ochtend van 23 februari 2024 heeft [B.V. 1] haar klanten een e-mail toegestuurd, waarin zij te kennen geeft dat zij met haar activiteiten stopt.
In de middag van 23 februari 2024 hebben de heer [bestuurder 2] (hierna: [bestuurder 2] ) en de heer [bestuurder 3] (hierna: [bestuurder 3] ) een bezoek gebracht aan de bedrijfslocatie van [B.V. 1] . [bestuurder 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde] . [bestuurder 3] is bestuurder van [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ). Beide vennootschappen drijven een transportonderneming. [bestuurder 2] en [bestuurder 3] wilden met [bestuurder 1] in gesprek over een eventuele overname van de activiteiten van [B.V. 1] . Tijdens het gesprek heeft [bestuurder 1] hen te kennen gegeven dat [B.V. 1] haar faillissement had aangevraagd.
Later die middag heeft [bestuurder 1] per e-mail de klantenlijst van [B.V. 1] naar [B.V. 2] gestuurd. [B.V. 2] heeft de klantenlijst van [B.V. 1] vervolgens doorgestuurd naar [gedaagde] .
In de avond van 23 februari 2024 is in opdracht van [gedaagde] een e-mail naar alle klanten van [B.V. 1] als vermeld op de klantenlijst toegestuurd met – voor zover van belang – de navolgende inhoud:
“Beste,
(...)
We willen graag een belangrijke update binnen de transportsector met u delen. Met trots kondigen wij aan dat [gedaagde] onlangs de activiteiten van [B.V. 1] heeft overgenomen.
Dit betekent dat de vertrouwde transportdiensten van [B.V. 1] nu worden voortgezet onder de vlag van ons bedrijf”.
Bij vonnis van 27 februari 2024 heeft deze rechtbank [B.V. 1] op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard en mr. [de curator] benoemd tot curator.
Na het faillissement van [B.V. 1] heeft de curator de mogelijkheid van een doorstart/overname van de transportonderneming van [B.V. 1] onderzocht. De curator heeft daarvoor potentiële kandidaten benaderd en is ook zelf benaderd door kandidaten die hun interesse toonden in een overname van de activiteiten van [B.V. 1] . Onder die laatsten [gedaagde] in de persoon van [bestuurder 2] . Op 28 februari 2024 heeft in dat kader een gesprek plaatsgevonden tussen de curator enerzijds en [bestuurder 2] , [bestuurder 3] en de heer [adviseur] (adviseur van [gedaagde] ) anderzijds.
Op 1 maart 2024 heeft de heer [naam] (hierna: [naam] ), die ook bij de curator zijn interesse in een overname van de activiteiten van [B.V. 1] had getoond, de e-mail van [gedaagde] aan de klanten van [B.V. 1] van 23 februari 2024 aan de curator toegestuurd. De curator heeft daarop [bestuurder 2] verzocht om opheldering te verschaffen over de reden waarom [gedaagde] die e-mail had verstuurd. [bestuurder 2] heeft dat per e-mail aan de curator toegelicht. De curator heeft vervolgens de klanten van [B.V. 1] aangeschreven met de mededeling dat van een doorstart/overname van de activiteiten van [B.V. 1] door een doorstarter/overnemer geen sprake is.
Op 21 maart 2024 heeft de curator [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor vermeend onrechtmatig handelen tegenover de boedel van [B.V. 1] en schadevergoeding van [gedaagde] gevorderd wegens een vermeend misgelopen goodwillvergoeding door de boedel van [B.V. 1] .
Er heeft geen doorstart/overname van de transportonderneming van [B.V. 1] plaatsgevonden. De activa van [B.V. 1] , bestaande uit voertuigen en de inventaris, zijn geveild voor een bedrag van in totaal € 120.586,50.
3 Het geschil
De curator vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover de boedel van [B.V. 1] heeft gehandeld, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding van
€ 93.800,-, althans een verwijzing naar de schadestaatprocedure, en een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.713,-, beide bedragen vermeerderd met wettelijke rente.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de curator dan wel tot afwijzing van de vordering van de curator, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente.
Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover nodig, nader ingegaan.