Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-04-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2169, C/02/426441 / HA ZA 24-509 (E)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-04-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2169, C/02/426441 / HA ZA 24-509 (E)
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 2 april 2025
- Datum publicatie
- 28 april 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2169
- Zaaknummer
- C/02/426441 / HA ZA 24-509 (E)
Inhoudsindicatie
Pandrechten. Is de bestendige handelsrelatie een rechtsverhouding als bedoeld in artikel 3:239 lid 1 BW waaruit vorderingen rechtstreeks worden verkregen? Pandrecht op handelsnaam en klantcontracten?
Uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/426441 / HA ZA 24-509
Vonnis van 2 april 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. P.E. Butterman,
tegen
MR. [curator] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [B.V. 1],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. T. Broer.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 6 november 2024 en de daarin genoemde stukken;
– het bericht van de curator van 31 januari 2025 met producties 21 en 22;
– de mondelinge behandeling van 11 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
– de ter zitting door de curator overgelegde activaovereenkomst.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiseres] is enig aandeelhouder van [B.V. 1] (hierna: [B.V. 1] ). [B.V. 1] produceerde ‘spreadables’. Haar bekendste producten waren filet americain en likkepot, die onder de merknaam “ [B.V. 1] ” in supermarkten werden verkocht.
[eiseres] heeft een vordering uit rekening-courant op [B.V. 1] die op 2 april 2024 ruim € 1,2 miljoen bedroeg. Ter zekerheid van deze vordering is bij onderhandse akten van 29 december 2023 (geregistreerd op 4 januari 2024), 6 februari 2024 (geregistreerd op 9 februari 2024) en 26 maart 2024 (geregistreerd op 29 maart 2024)1 ten gunste van [eiseres] een pandrecht gevestigd op:
o “alle huidige en toekomstige voorraden van Pandgever [rechtbank: [B.V. 1] ];
o alle vorderingen op derden die Pandgever blijkens haar administratie thans heeft of in de toekomst zal verkrijgen uit hoofde van thans reeds bestaande rechtsverhoudingen met derden, uit welke hoofde dan ook;
o de handelsnaam “ [handelsnaam 1] ”, “ [B.V. 1] BV”, “ [handelsnaam 2] ” en “ [handelsnaam 3] ”;”
Een aantal debiteuren van [B.V. 1] had een verpandingsverbod opgenomen in hun overeenkomst met [B.V. 1] . Zo ook de [debiteur 1] B.A. (hierna: [debiteur 1] ). [eiseres] heeft [B.V. 1] op 15 februari 2024 verzocht om overeenkomstig artikel 7 van de rekening-courantovereenkomst van 25 april 2023 aanvullende zekerheden te stellen, omdat haar zekerheden niet dekkend waren. Die aanvullende zekerheid zou dan gerealiseerd moeten worden door verpanding van de huidige en toekomstige vorderingen van [B.V. 1] op [debiteur 1] .2
[B.V. 1] is daarop het gesprek aangegaan met [debiteur 1] . Dit heeft geleid tot een tripartiteovereenkomst tussen [B.V. 1] , [debiteur 1] en [eiseres] , gesloten op 12 maart 2024.3 In de considerans is opgenomen dat tussen [B.V. 1] en [debiteur 1] één of meer overeenkomsten zijn gesloten waarop de algemene inkoopvoorwaarden van [debiteur 1] van toepassing zijn. Volgens de considerans is in artikel 9 van deze voorwaarden opgenomen dat “de Leverancier [rechtbank: [B.V. 1] ] de Overeenkomsten, delen ervan of rechten daaronder niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [debiteur 1] aan derden mag verpanden (het “Verpandingsverbod”).” In artikel 1 zijn partijen overeengekomen dat [debiteur 1] ten gunste van [eiseres] afstand doet van het met [B.V. 1] overeengekomen verpandingsverbod. In artikel 2 zijn partijen overeengekomen dat [B.V. 1] en [eiseres] door ondertekening van deze overeenkomst de afstand van het verpandingsverbod aanvaarden.
Naast [eiseres] had ook [debiteur 2] een pandrecht op de debiteurenvorderingen van [B.V. 1] . De verplichting om dit pandrecht te vestigen vloeide voort uit de factoringovereenkomst die [B.V. 1] op 24 november 2022 met [debiteur 2] had gesloten.4 Het pandrecht van [debiteur 2] was openbaar en hoger gerangschikt dan het pandrecht van [eiseres] . De meest recente pandakte van [debiteur 2] dateerde van 28 maart 2024 en was geregistreerd op 29 maart 2024.5
Op 28 maart 2024 heeft [B.V. 1] haar faillissement aangevraagd.6
In het Paasweekend van 31 maart en 1 april 2024 heeft [eiseres] een overeenkomst gesloten met [B.V. 2] (hierna [B.V. 2] ), waarbij zij haar activa waaronder het machinepark en haar intellectuele eigendomsrechten, die zij aan [B.V. 1] ter beschikking had gesteld, heeft verkocht aan [B.V. 2] .7 In overweging B van deze overeenkomst (de zogenaamde Paasdeal) staat:
“B De Verkoper is voorts rechthebbende op intellectuele eigendomsrechten, die tevens aan [B.V. 1] ter beschikking zijn gesteld, waaronder doch niet beperkt tot de intellectuele eigendomsrechten als genoemd in Bijlage 1 (Overzicht Activa) (de Intellectuele Eigendomsrechten), hierna gezamenlijk met de Zaken, de Activa.”
In bijlage 1 staat:
“Alle intellectuele eigendomsrechten, met inbegrip van:
o Het woordmerk “ [B.V. 1] ”(...),
o Het woordmerk “Solo”(...),
o Recepturen.”
In artikel 2.2. van deze overeenkomst staat:
“2.2. Als gevolg van de overdracht van de Intellectuele Eigendomsrechten heeft de Koper het volledige en exclusieve recht op de Intellectuele Eigendomsrechten en de Verkoper zal daar geen aanspraak op maken.”
Op 2 april 2024 is het faillissement uitgesproken van [B.V. 1] met benoeming van mr. Wahlbrinck tot curator.
Op 4 april 2024 heeft mr. Butterman namens [eiseres] de geregistreerde pandaktes van 29 december 2023 en 6 februari 2024 aan de curator toegestuurd, onder de mededeling dat er “op 27 maart jl. (...) nogmaals een akte [is] getekend die nog ergens bij de Belastingdienst rondzwerft. Tekstueel is deze hetzelfde als de andere.”8
Daags na het faillissement heeft de curator contact opgenomen met de advocaat van [B.V. 2] om te praten over een mogelijke doorstart. Door de Paasdeal waren er al activa overgedragen aan [B.V. 2] . De onderhandelingen tussen de curator en [B.V. 2] hebben tot overeenstemming geleid. Met betrekking tot het pandrecht van [eiseres] heeft mr. Koppenol, de advocaat van [B.V. 2] , bij e-mail van 10 april 2024 de curator bericht dat hij met [eiseres] zou zijn overeengekomen dat de afwikkeling van de verpande zaken buiten de boedel om wordt geregeld. Hij schrijft “Maar nogmaals: EUR 180.000 voor alles (conform omschrijving mijn vorige e-mail – echt alles dus) met uitzondering van aan [eiseres] verpande zaken waarover jullie geen afspraak met [eiseres] hebben en debiteuren en de bodemzaken.”
In de door partijen op 11 en 12 april 2024 getekende doorstartovereenkomst is opgenomen dat de curator aan [B.V. 2] de activa verkoopt, waaronder:“D. de goodwill/immaterieel actief (waaronder begrepen de projectadministratie, domeinnamen, licenties, websites, telefoonnummers en lopende (IT-, en huur-)overeenkomsten”, en
E. de intellectuele eigendomsrechten (logo’s, beeldmerken, receptuur, etc.),(...)
alles voor zover toebehorende aan de Vennootschap (...).” Voor deze en andere in artikel 1.1. omschreven activa zijn partijen een koopsom overeengekomen van € 180.000,00.
In de doorstartovereenkomst is met betrekking tot het pandrecht van [eiseres] de volgende bepaling opgenomen:
“5.3 Verkoper erkent het pandrecht op de aan [eiseres] B.V. verpande zaken en stemt er mee in dat de afwikkeling van deze verpanding door [eiseres] B.V. en Koper wordt geregeld en dat Verkoper daarvoor geen vergoeding (boedelbijdrage, koopprijs of anderszins) ontvangt.”
In artikel 8 zijn partijen overeengekomen dat het [B.V. 2] is toegestaan om de klantencontracten voort te zetten.
Op 15 april 2024 heeft [eiseres] haar pandrecht openbaar gemaakt aan [debiteur 2] .9
In een e-mail van 19 april 2024 heeft de curator aan [adviseur] , adviseur van [eiseres] , onder meer geschreven:10
“Erkennen openbaar pandrecht [eiseres]
Tenslotte vroeg jij mij vandaag telefonisch of ik nog op schrift wilde bevestigen dat ik het pandrecht van [eiseres] erken. Voor zover dat nog niet duidelijk was (dat is vanuit de boedel immers nooit betwist), bij dezen de bevestiging. Wel ontvangen wij graag nog de meest recent geregistreerde pandakte om de omvang van het pandrecht vast te kunnen stellen.”
Vervolgens heeft de curator bij e-mail van 26 april 2024 de vernietiging ingeroepen op grond van artikel 47 Faillissementswet (Fw) van de op 29 maart 2024 geregistreerde pandakte van [eiseres] .11
Ten tijde van de faillietverklaring van [B.V. 1] had [debiteur 2] een vordering op [B.V. 1] van € 249.367,19.12 Op 1 mei 2024 was deze vordering uit de opbrengst van de door [debiteur 2] geïncasseerde debiteuren voldaan. Op 2 mei 2024 heeft de curator de factoringovereenkomst opgezegd, waarna [debiteur 2] op 3 mei 2024 de rekening heeft geblokkeerd voor inkomende betalingen.13 Op dat moment had [debiteur 2] een bedrag van ongeveer € 12.000 te veel geïncasseerd.
In een e-mail van 16 mei 2024 aan [eiseres] en van dezelfde datum aan [debiteur 1] heeft de curator de vernietiging ingeroepen van de tripartiteovereenkomst van 12 maart 2024 op grond van artikel 42 Fw.14
Op 26 juli 2024 heeft [eiseres] de curator aansprakelijk gesteld op grond van onrechtmatige daad voor de verkoop aan [B.V. 2] van de aan [eiseres] verpande handelsnaam en klantencontracten.
3 Het geschil
[eiseres] vordert – samengevat –:
1. een verklaring voor recht dat haar een beroep op haar pandrecht toekomt op de in de dagvaarding genoemde debiteuren van [B.V. 1] en voor de in de dagvaarding genoemde facturen van deze debiteuren;
2. de curator te veroordelen de van deze debiteuren ontvangen bedragen af te dragen aan [eiseres] en voor zover de curator de bedragen nog niet heeft ontvangen, de curator te veroordelen de debiteur mee te delen dat deze bevrijdend kan betalen aan [eiseres] ;
3. een verklaring voor recht dat aan [eiseres] een beroep op haar pandrecht toekomt op hetgeen [B.V. 1] op faillissementsdatum te vorderen had van [debiteur 1] en dat de curator gehouden is de van [debiteur 1] ontvangen bedragen af te dragen aan [eiseres] ;
4. een verklaring voor recht dat de curator onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] als pandhouder ter zake de verkoop van de aan [eiseres] verpande handelsnamen van [B.V. 1] en haar klantencontracten;
5. de curator te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 180.000,00 als schadevergoeding ter zake het onder 4. genoemde onrechtmatig handelen;
6. de curator te veroordelen om mee te werken aan vrijgave aan [eiseres] van het bedrag van € 12.559,37 dat [debiteur 2] als 1e pandhouder op de debiteuren van [B.V. 1] nog onder zich heeft;
7. een verklaring voor recht dat de vordering onder 5 superpreferent is en in rang boven alle andere boedelschuldeisers en boven het salaris van de curator in het faillissement van [B.V. 1] gaat;
8. de curator te veroordelen in de proceskosten.
[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op het bedrag dat [debiteur 2] te veel heeft geïncasseerd, op de vordering van [B.V. 1] op [debiteur 1] en op de vorderingen van [B.V. 1] op de overige debiteuren. [eiseres] beroept zich primair op de pandakte van 26 maart 2024, geregistreerd op 29 maart 2024. Volgens [eiseres] heeft de curator afstand gedaan van zijn recht om deze pandakte te vernietigen, dan wel zijn recht daartoe verwerkt. Subsidiair beroept [eiseres] zich op de pandakte van 6 februari 2024, geregistreerd op 9 februari 2024. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van [B.V. 1] op haar debiteuren voortvloeien uit een op 9 februari 2024 reeds bestaande rechtsverhouding, zodat [eiseres] daarop een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen. Voor wat betreft de vordering op [debiteur 1] geldt dat het beroep van de curator op artikel 42 Fw niet slaagt, zodat de tripartiteovereenkomst niet rechtsgeldig is vernietigd. Daardoor heeft [eiseres] ook een rechtsgeldig pandrecht verkregen op de vordering van [B.V. 1] op [debiteur 1] . Tot slot stelt [eiseres] dat de curator onrechtmatig heeft gehandeld door de handelsnaam en de klantencontracten zonder toestemming van [eiseres] als pandhouder te verkopen aan [B.V. 2] .
De curator voert verweer. De curator concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.
De curator betwist dat hij afstand heeft gedaan van zijn recht, dan wel zijn recht heeft verwerkt om de op 29 maart 2024 geregistreerde pandakte te vernietigen. Door die vernietiging kan [eiseres] alleen een beroep doen op de op 9 februari 2024 geregistreerde pandakte. De ten tijde van het faillissement openstaande vorderingen vallen niet onder het pandrecht van [eiseres] , aangezien deze vorderingen zijn ontstaan na 9 februari 2024 en niet voortvloeien uit een op 9 februari 2024 reeds bestaande rechtsverhouding. De vrijgave van het verpandingsverbod door [debiteur 1] is paulianeus en rechtsgeldig vernietigd. Tot slot betwist de curator onrechtmatig te hebben gehandeld. Hij voert daartoe aan dat de klantencontracten en de handelsnaam niet verpand kunnen worden. Voor zover de rechtbank anders zou oordelen, heeft [eiseres] geen schade geleden dan wel dient de schadevergoeding gematigd te worden tot nihil.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.