Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-04-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2652, C/02/433346 HO RK 25-204

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-04-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2652, C/02/433346 HO RK 25-204

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22 april 2025
Datum publicatie
7 mei 2025
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2025:2652
Zaaknummer
C/02/433346 HO RK 25-204

Inhoudsindicatie

WHOA. Aspectenverzoek (378 Fw).

Uitspraak

beschikking

Cluster III Insolventie en kanton beheerszaken – meervoudige kamer

Zittingsplaats Breda

beschikking op grond van artikel 378 Fw (aspectenverzoek)

rekestnummer: C/02/433346 HO RK 25-204

uitspraakdatum: 22 april 2025

beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 378 Faillissementswet (Fw) in de besloten akkoordprocedure van:

[verzoekster] B.V.

gevestigd te [plaats] ,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. J. van den Dolder.

1 De procedure

1.1.

[verzoekster] heeft op 31 maart 2024 een verklaring ex artikel 370 lid 3 Fw ter griffie gedeponeerd.

1.2.

[verzoekster] heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.

1.3.

Bij beschikking van deze rechtbank van 4 oktober 2024 is een afkoelingsperiode afgekondigd zoals bedoeld in artikel 367 Fw voor een periode van vier maanden, ingaande op 12 september 2024.

1.4.

Bij beschikking van deze rechtbank van 28 januari 2025 is de afkoelingsperiode verlengd met een periode van vier maanden, die derhalve zal eindigen op 12 mei 2025.

1.5.

[verzoekster] heeft op 24 maart 2025 ter griffie een verzoekschrift, met 25 bijlagen, ingediend strekkende tot voorziening(en) inzake belangrijke aspecten van het akkoord ex art. 378 Fw (hierna: het verzoekschrift).

1.6.

[verzoekster] heeft blijkens bijlage 25 van haar verzoekschrift de volgende partijen als direct belanghebbenden aangeduid:

1. [belanghebbende 1] ,

hierna te noemen: [belanghebbende 1] ,

2. De heer [belanghebbende 2] ,

hierna te noemen: [belanghebbende 2] ,

bijgestaan door mr. F.D.P. Nobel,

3. [belanghebbende 3] N.V.,

hierna te noemen: [belanghebbende 3] ,

4. [belanghebbende 4] B.V.,

[belanghebbende 5] B.V., en

[belanghebbende 6] B.V., dat wil zeggen de achterliggende risicodragers [risicodrager 1] , [risicodrager 2] N.V., [risicodrager 3] N.V. en [risicodrager 4] , dat wil zeggen de achterliggende risicodrager [risicodrager 5] ,

hierna gezamenlijk te noemen: [belanghebbenden 4 t/m 6] ,

bijgestaan door hun advocaten mr. N.D. de Bruin en mr. M. Smit.

1.7.

De rechtbank heeft op 26 maart 2025 aan [verzoekster] bericht dat het verzoekschrift zal worden behandeld ter zitting van 7 april 2025. [verzoekster] dient er zorg voor te dragen dat de belanghebbenden als bedoeld in artikel 378 lid 8 Fw onverwijld, maar uiterlijk 28 maart 2025 worden opgeroepen voor deze zitting en worden gewezen op de mogelijk om een schriftelijke zienswijze in te dienen. De rechtbank heeft bepaald dat schriftelijke zienswijzen uiterlijk 3 april 2025 om 12:00 uur moeten worden ingediend.

1.8.

[verzoekster] heeft de belanghebbenden op 27 maart 2025 opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het verzoekschrift en heeft hen gewezen op de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen.

1.9.

[belanghebbende 3] heeft de rechtbank op 1 april 2025 bericht dat zij niet zal verschijnen op de zitting en dat zij zich conformeert aan het oordeel van de rechtbank. Als bijlage bij dit bericht heeft [belanghebbende 3] een brief van 13 december 2023 aan [verzoekster] gevoegd.

1.10.

Op 2 april 2025 heeft mr. K.C. Mensink een zienswijze ingediend namens [belanghebbende 2] .

1.11.

[verzoekster] heeft op 3 april 2025 een e-mailwisseling met (de advocaat van) [belanghebbende 1] aan de rechtbank gestuurd.

1.12.

Het aspectenverzoek is op 7 april 2025 in raadkamer behandeld en nader toegelicht. Ter zitting zijn verschenen:

-

de heer [naam 1] , financieel ondersteuner werkzaam bij [bedrijf 1] B.V.;

-

de heer [naam 2] , CEO van [bedrijf 2] B.V.;

-

de heer [naam 3] , bestuurder van [verzoekster] ;

-

de heer [naam 4] , extern financieel adviseur werkzaam bij de [bedrijf 3] ;

-

mr. J. van den Dolder, advocaat van [verzoekster] ;

-

mr. D. Linstra, betrokken aan de zijde van [verzoekster] bij de procedure tegen [belanghebbenden 4 t/m 6] ;

-

mr. K.C. Mensink, advocaat van [belanghebbende 2] ;

-

mr. F.D.P. Nobel, advocaat van [belanghebbende 2] .

1.13.

[belanghebbende 1] en [belanghebbenden 4 t/m 6] zijn niet ter zitting verschenen en hebben evenmin een zienswijze ingediend.

1.14.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is een [dienstverlener] voor bedrijven en organisaties in de

[branche] . [verzoekster] [bedrijfsomschrijving] .

2.2.

[verzoekster] hanteert 31 maart 2024 als fixatiedatum voor haar WHOA-akkoord. De totale schuldenlast van [verzoekster] bedraagt per 31 maart 2024 € 4.217.282,-. De grootste schuldeiser is de Belastingdienst (€ 2.268.171,-). Daarnaast zijn er concurrente schuldeisers (€ 109.612,-), MKB schuldeisers (€ 272.937,-) en een hoofdelijke vordering van [bank] (€ 1.540.373,-). In deze schuldenlast zijn de vorderingen die zijn ontstaan als gevolg van een schadeongeval, hierna genoemd onder 2.5, nog niet begrepen. Verplichtingen die zijn ontstaan na 31 maart 2024 worden niet in het akkoord betrokken en zullen integraal worden voldaan.

2.3.

Op 10 december 2024 heeft [verzoekster] een conceptakkoord ter consultatie voorgelegd aan alle in het akkoord betrokken schuldeisers. Het conceptakkoord ziet er op hoofdlijnen als volgt uit. De reorganisatiewaarde is door [bedrijf 3] vastgesteld op € 1.992.000,-. [verzoekster] zal bij het slagen van het akkoord een bedrag van € 2.042.000,- (direct) uitkeren aan haar schuldeisers. Dit is beduidend hoger dan de liquidatiewaarde die aan de hand van een taxatie van [taxateur] door [verzoekster] piecemeal is vastgesteld op € 1.521.311,-. [verzoekster] heeft haar schuldeisers ingedeeld in drie klassen:

-

Klasse 1: preferent Belastingdienst, aan wie een uitkering van 16,7% wordt aangeboden, te voldoen ineens binnen een maand na homologatie;

-

Klasse 2: MKB-schuldeisers, aan wie een uitkering van 20% wordt aangeboden, te voldoen ineens binnen een maand na homologatie;

-

Klasse 3: Concurrente schuldeisers, aan wie een uitkering van 16,7% wordt aangeboden, te voldoen ineens binnen een maand na homologatie.

2.4.

Buiten het akkoord blijft [bank] die een hoofdelijk vordering van € 1.540.373,- heeft op [verzoekster] , ter zekerheid waarvoor zij onder meer pandrechten heeft verkregen. Er is sprake van een groepsfinanciering waarbij iedere groepsmaatschappij voor de volledige schuld hoofdelijk aansprakelijk is jegens [bank] . De waarde van de zekerheden van [bank] is hoger dan haar vordering. [verzoekster] is ervan uitgegaan dat [bank] geen stemrecht toekomt, omdat haar rechten niet door het akkoord worden gewijzigd. Naast [bank] is [verzoekster] voornemens om de vorderingen van leveranciers met een eigendomsvoorbehoud, de concurrente schuldeisers met een totale vordering van minder dan € 300,- en een schuldeiser waarvan de pre-fixatievordering abusievelijk per automatische incasso is voldaan, buiten het akkoord te laten.

2.5.

Op 26 augustus 2022 is een brand ontstaan tijdens werkzaamheden van [verzoekster] bij [belanghebbende 4] B.V. Daarbij is er ook schade ontstaan aan de opstallen van [belanghebbende 5] B.V. en is [belanghebbende 2] , een door [verzoekster] ingehuurde uitzendkracht, gewond geraakt. Voor dit schade(on)geval is [verzoekster] aansprakelijk gesteld door:

I. [belanghebbenden 4 t/m 6] , bestaande uit:

a. [belanghebbende 4] B.V.;

b. [belanghebbende 5] B.V.;

c. de brandverzekeraars ( [belanghebbende 6] B.V., dat wil zeggen de achterliggende risicodragers [risicodrager 1] , [risicodrager 2] N.V., [risicodrager 3] N.V. en [risicodrager 4] , dat wil zeggen de achterliggende risicodrager [risicodrager 5] );

II. [belanghebbende 2] , en;

III. [belanghebbende 3] (de zorgverzekeraar van [belanghebbende 2] ).

[verzoekster] was ten tijde van het conceptakkoord in de vooronderstelling dat deze schuldeisers buiten het akkoord konden worden gelaten, mede omdat deze vorderingen door de verzekeraar van [verzoekster] , [verzekeraar] , worden afgewikkeld. Het aspectenverzoek ziet voor een belangrijk deel op deze schuldeisers.

3 Het aspectenverzoek

3.1.

[verzoekster] wenst een tussentijds rechterlijk oordeel over een aantal aspecten die zij van belang acht voor het tot stand brengen van het akkoord.

3.2.

In randnummer 5.2 van het verzoekschrift staan de volgende aspecten benoemd die in het verzoekschrift nader zijn uitgewerkt:

1. Stemming: dienen [belanghebbende 4] B.V., [belanghebbende 5] B.V. en de verzekeraars toegelaten te worden tot de stemming?

1. Indien vraag (1) positief wordt beantwoord: in welke klasse dienen [belanghebbende 4] B.V., [belanghebbende 5] B.V. en de verzekeraars te worden ingedeeld?

2. Indien vraag (1) positief wordt beantwoord: voor welke bedragen dienen [belanghebbende 4] B.V., [belanghebbende 5] B.V. en de verzekeraars toegelaten te worden tot de stemming?

2. Stemming: dient de heer [belanghebbende 2] voor zijn letselschade-vordering toegelaten te worden tot de stemming?

1. Indien vraag (2) positief wordt beantwoord: in welke klasse dient de heer [belanghebbende 2] te worden ingedeeld?

2. Indien vraag (2) positief wordt beantwoord: voor welke bedrag dient de heer [belanghebbende 2] toegelaten te worden tot de stemming?

3. Stemming: dient [belanghebbende 3] N.V. toegelaten te worden tot de stemming?

1. Indien vraag (3) positief wordt beantwoord: in welke klasse dient [belanghebbende 3] N.V. te worden ingedeeld?

2. Indien vraag (3) positief wordt beantwoord: voor welke bedrag dient [belanghebbende 3] N.V. toegelaten te worden tot de stemming?

4. Vereffenings- en reorganisatiewaarde: Voldoet de vaststelling van de vereffenings- en reorganisatiewaarde aan de vereisten van artikel 375 lid 1 onder e en f Fw? Met betrekking tot de gehanteerde uitgangspunten inzake de uitkering verzekeringspenningen.

5. Stemming: Staat het [verzoekster] vrij om te bepalen wie zij laat stemmen; de betreffende schuldeiser of de kredietverzekeraar/factormaatschappij?

3.3.

In het petitum van haar verzoekschrift vraagt [verzoekster] de rechtbank te beslissen over de volgende aspecten, en te bepalen dat:

  1. Stemming: [belanghebbende 4] B.V., [belanghebbende 5] B.V. en de verzekeraars in de preferente klasse dienen te worden ingedeeld voor dat deel van de door hun gepretendeerde vordering waarvoor naar verwachting het voorrecht op de verzekeringspenningen geldt en rekeninghoudende met de achterstelling. De verzekeraars voornoemd in Klasse 3 Concurrenten voor wat betreft het ongesecureerde deel van hun vordering. Te bepalen dat voornoemde verzekeraars uitsluitend voor klasse 3 worden toegelaten tot de stemming.

  2. Stemming: de heer [belanghebbende 2] in de preferente klasse dient te worden ingedeeld voor dat deel van de door hem gepretendeerde vordering waarvoor naar verwachting het voorrecht op de verzekeringspenningen geldt (€ 1.206.598,02) en in Klasse 2 MKB ad € 143.401,98 voor wat betreft het ongedekte deel van de geschatte vordering. Te bepalen dat de heer [belanghebbende 2] uitsluitend voor Klasse 2 MKB wordt toegelaten tot de stemming.

  3. Stemming: [belanghebbende 3] N.V. in Klasse 3 Concurrenten dient te worden ingedeeld voor haar gepretendeerde vordering ad € 13.601,08. Te bepalen dat [belanghebbende 3] N.V. voor Klasse 3 wordt toegelaten tot de stemming.

  4. Vereffenings- en reorganisatiewaarde: de (vaststelling van de) vereffenings- en reorganisatiewaarde aan de vereisten van artikel 375 lid 1 onder e en f Fw voldoet met betrekking tot de gehanteerde uitgangspunten inzake de uitkering verzekeringspenningen.

  5. Stemming: [verzoekster] bij onduidelijkheid over wie de juridische en/of economische gerechtigde is, de schuldeiser in kwestie (niet kredietverzekeraar/factormaatschappij) kan toelaten tot de stemming. Als vaststaat dat een vordering is overgegaan op de kredietverzekeraar/factormaatschappij dan zal zij worden toegelaten tot de stemming hetgeen (ook) betekent dat de vordering ingedeeld wordt in de Klasse Concurrenten.

3.4.

Hierna zal onder de beoordeling nader worden ingegaan op de stellingen van [verzoekster] .

4 De zienswijzen

5 De beoordeling

6 De beslissing