Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 31-01-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:524, C/02/430146 HO RK 24/995 (E)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 31-01-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:524, C/02/430146 HO RK 24/995 (E)

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31 januari 2025
Datum publicatie
7 februari 2025
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2025:524
Zaaknummer
C/02/430146 HO RK 24/995 (E)

Inhoudsindicatie

WHOA. Homologatie akkoord. Schending informatieverplichting. Onder omstandigheden dient een aanbieder van een akkoord ook informatie te geven over het vermogen bij groepsvennootschappen.

Uitspraak

vonnis

Cluster III Insolventie en kanton beheerszaken – meervoudige kamer

Zittingsplaats Breda

verzoek tot homologatie van een akkoord en verzoek tot toestemming opzegging overeenkomst

rekestnummer: C/02/430146 HO RK 24/995

uitspraakdatum: 31 januari 2025

Vonnis op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 383 lid 1 Faillissementswet (Fw) en ex artikel 383 lid 7 Fw in de besloten akkoordprocedure buiten faillissement, van:

de besloten vennootschap

[verzoekster] B.V.,

statutair gevestigd te [plaats 1] ,

kantoorhoudende te [plaats 2] ,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

advocaten: mr. drs. R.W.A. Brunninkhuis en mr. G. Sengers.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

-

de startverklaring ex artikel 370 lid 3 Fw, gedeponeerd op 28 februari 2024;

-

de beschikking van 29 oktober 2024 op grond van artikel 378 Fw (aspectenverzoek);

-

het stemverslag met bijlagen ex artikel 382 Fw, gedeponeerd op 24 december 2024;

-

het verzoekschrift van 23 december 2024, met bijlagen ingekomen op 24 december 2024, ex artikel 383 lid 1 Fw en ex artikel 383 lid 7 BW;

-

de beschikking van 24 december 2024, dagbepaling behandeling homologatie en aanstelling observator;

-

de brief van [verzoekster] , ingekomen op 3 januari 2025, met bijlage;

-

de brief van mr. [observator] , observator (hierna: de observator), ingekomen op 15 januari 2025 met een verzoek tot verhoging van zijn budget;

-

de zienswijze van 15 januari 2025 van de observator ex artikel 384 lid 7 Fw;

-

het salarisvoorstel van de observator, ingekomen op 23 januari 2025;

-

de reactie van [verzoekster] op het salarisvoorstel, ingekomen op 27 januari 2025.

1.2.

De verzoeken zijn op 17 januari 2025 in raadkamer behandeld en nader toegelicht. Daarbij zijn op de rechtbank verschenen en gehoord:

- de heer [naam 1] , (indirect) bestuurder van [verzoekster] ;

- de heer [naam 2] , financieel directeur van [verzoekster] ;

- mrs. R.W.A. Brunninkhuis en G. Sengers, advocaten van [verzoekster] ;

- drs. [naam 3] van [B.V. 7] , financieel adviseur van [verzoekster] ;

- mr. [observator] , observator.

2 De feiten

2.1.

In de beslissing van deze rechtbank van 29 oktober 2024 werden feiten vastgesteld. Voor zover die feiten van belang zijn voor de onderhavige beslissing, worden die hier herhaald.

2.2.

[verzoekster] exploiteert een onderneming die zich bezighoudt met [bedrijfsactiviteiten] . [verzoekster] is onderdeel van de [groep] . Binnen deze groep waren op 1 maart 2024 ongeveer 1.450 medewerkers werkzaam, waarvan 90% in [land 1] . Naast 140 fysieke [locaties] (in [land 1] , [land 2] en [land 3] ) heeft de groep ook een [bedrijfstak] (in [land 1] , [land 2] , [land 3] , [land 4] en [land 5] ). Het onderhavige akkoord heeft uitsluitend betrekking op [verzoekster] .

2.3.

De heer [naam 1] is via de besloten vennootschappen [B.V. 1] (hierna: [B.V. 1] ) en [B.V. 8] statutair bestuurder van [verzoekster] . De [groep] kan schematisch als volgt worden weergegeven:

2.4.

[verzoekster] is in financieel zwaar weer gekomen. Als gevolg van de coronacrisis heeft [verzoekster] een zware schuldenlast. Vervolgens zag [verzoekster] zich geconfronteerd met een personeelscrisis, een energiecrisis, een stijging van de huurlasten, prijsstijging van de overige bedrijfskosten en hoge inflatie waardoor consumenten minder koopkracht hebben. Voor een verdere onderbouwing van haar financiële positie verwijst [verzoekster] naar het (bij het akkoord gevoegde) rapport van [B.V. 7] (hierna: [B.V. 7] ).

2.5.

De omzet van [verzoekster] is na het einde van de coronacrisis in 2022 weliswaar met 24% gestegen ten opzichte van 2021, maar door tegenvallende marktomstandigheden en stijging van de kosten, is de EBITDA in 2023 fors gedaald. Als de verlieslatende [locaties] niet worden gesloten, zal de EBITDA zich naar verwachting ontwikkelen van -/- € 130.735 in 2024 naar € 227.551 in 2026. Uitgaande van de huidige financiële verplichtingen in verband met betaling van rente en aflossing op coronaschulden, heeft dit een negatieve geldstroom tot gevolg van ongeveer € 5,3 miljoen in de periode 2024 tot en met 2026. De aflossingen op de coronaschulden zijn deels in het akkoord betrokken. Van belang is verder dat [verzoekster] lid is van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. [verzoekster] is – naast de in het akkoord betrokken schulden – per 1 maart 2024 hoofdelijk aansprakelijk voor een btw-schuld van € 10,9 miljoen.

2.6.

[verzoekster] heeft maatregelen genomen om de prestaties van de onderneming te verbeteren; [verzoekster] is onderhandelingen gestart over de voorwaarden van alle huurovereenkomsten, de voorraden zijn teruggebracht, de inkoopmarges zijn verhoogd en er heeft een wijzing plaatsgevonden van het inkoopteam, designteam en marketingteam om tot betere resultaten te komen.

2.7.

[verzoekster] heeft haar liquidatiewaarde laten vaststellen op basis van een taxatie en uitgaande van een verkoop van de onderneming in faillissement als geheel (doorstart). De liquidatiewaarde is als volgt vastgesteld:

Goodwill vergoeding

€ 912.094

Vooruitbetaalde huur

€ 549.228

Uitwinningswaarden

€ 12.610.759

Totaal

€ 14.072.081

Boedelkosten

-/- € 3.561.612

Liquidatiewaarde

€ 10.510.469

2.8.

De reorganisatiewaarde is vastgesteld op basis van kasstromen (DCF-methode) over de periode van 2024 tot en met 2027 met een groeivoet van 2% voor volgende jaren en een disconteringsvoet van 12,74%. De theoretische reorganisatiewaarde per de peildatum van 1 maart 2024 is door [B.V. 7] becijferd op € 9.854.487. De werkelijke waarde die onder het akkoord wordt gerealiseerd is vastgesteld op € 11.954.180. Het verschil wordt verklaard doordat de aandeelhouder bereid is het akkoordbedrag dat direct contant moet worden voldaan te financieren, de merkrechten in handen zijn van een andere groepsvennootschap en doordat er verschillende schulden buiten het akkoord vallen.

3 Het akkoord en de stemming

3.1.

[verzoekster] heeft op 18 november 2024 een conceptakkoord met bijlagen ter consultatie aangeboden aan de stemgerechtigde schuldeisers. Het akkoord heeft betrekking op de op 1 maart 2024 bestaande schuldenlast. De schuldeisers hebben van 18 november 2024 tot en met 2 december 2024 (om 23:59 uur) de mogelijkheid gehad om bezwaar te maken tegen de inhoud van het conceptakkoord. [verzoekster] heeft tijdens deze bezwaartermijn bezwaren ontvangen van drie schuldeisers, wat heeft geleid tot een drietal (kleine) wijzigingen van het akkoord. Van het UWV werden geen bezwaren ontvangen.

3.2.

[verzoekster] heeft op 6 december 2024 het definitieve akkoord aangeboden. In het akkoord zijn de schuldeisers in de volgende klassen onderverdeeld:

Klasse

Vordering

Aanbod

Uitkering cash

A: Groepsschuldeiser ( [B.V. 2] )

€ 1.254.365

blijft voor € 250.873 verbonden (20%)

-

B: [bank]

€ 11.868.530

blijft voor € 9.011.956

verbonden (75,93%)

-

C: Belastingdienst (loonheffingen)

€ 1.867.460

21,90%

€ 408.899

D: Concurrente schuldeisers

€ 677.929

20%

€ 135.586

E: de heer [verhuurder 1] , MKB-schuldeiser en verhuurder

€ 52.172

20%

€ 10.434

F: verhuurders

€ 382.443

10%

€ 38.244

3.3.

De volgende schuldeisers zijn buiten het akkoord gehouden: (i) leveranciers met een dekkend eigendomsvoorbehoud of recht van reclame, (ii) de Ontvanger van de Belastingdienst voor de btw-schuld van de fiscale eenheid voor de omzetbelasting en de verschuldigde btw op de voet van artikel 29 lid 7 Wet OB en (iii) aandeelhouder [B.V. 1] .

3.4.

[verzoekster] wordt gefinancierd door de naamloze vennootschap [bank] N.V. (hierna: [bank] ) op basis van een rekening-courantkrediet met een omvang van € 14 miljoen en een garantiefaciliteit met een omvang van € 5 miljoen. Het uitstaande saldo op 1 maart 2024 beloopt € 11,9 miljoen. [bank] heeft van [verzoekster] een pandrecht verkregen op merkrechten, vorderingen en roerende zaken. De waarde van de zekerheden van [bank] in geval van faillissement is begroot op € 8,3 miljoen. Dit bedrag ontvangt [bank] onder het akkoord volledig. Op het restant ontvangt [bank] een uitkering van 20%. Steeds in de vorm van een voortzetting van de bestaande financiering. [verzoekster] is naast andere leden van het concern hoofdelijk aansprakelijk voor de vorderingen van [bank] . De verwachting is dat [bank] haar vordering volledig zal kunnen verhalen op [verzoekster] en de andere hoofdelijk aansprakelijke schuldenaren.

3.5.

In het geval van een faillissement ontvangt de Belastingdienst (Klasse C) een gedeeltelijke betaling op basis van het bodemvoorrecht en haar algemene voorrecht. Voor dit gedeelte ontvangt de Belastingdienst in het akkoord volledige betaling. Over het restant ontvangt de Belastingdienst 20%.

3.6.

[verzoekster] heeft met de verhuurders van haar [locaties] onderhandeld over verlaging van de huurprijs. Met een deel van de verhuurders is [verzoekster] tot overeenstemming gekomen. Enkele verhuurders hebben de wijzigingen of beëindigingen niet geaccepteerd. Deze huurovereenkomsten wenst [verzoekster] in het kader van het WHOA-traject eenzijdig op te zeggen, met een opzegtermijn van drie maanden. De uit de opzegging voortvloeiende schadevergoedingsvorderingen zijn opgenomen in klassen E en F. Het gaat om de volgende verhuurders en locaties:

-

[verhuurder 2] ; [locatie 1] ;

-

[verhuurder 3] ; [locatie 2] ;

-

[verhuurder 4] - [locatie 3] ;

-

[verhuurder 5] ; [locatie 4] ;

-

[verhuurder 1] ; [locatie 5] .

3.7.

Ter financiering van het akkoordbedrag zal de aandeelhouder van [verzoekster] ( [B.V. 1] ) de middelen beschikbaar stellen die nodig zijn voor de directe contante betalingen die voorzien zijn onder het akkoord. Het gaat dan om de contante betalingen aan de klassen C tot en met F.

3.8.

De uitslag van de stemming is als volgt.

Klassen

Totaal

Gestemd

Voor

Uitslag

A: Groep

Vordering

€ 1.254.365

€ 1.254.365

€ 1.254.365

100%

%

100%

100%

100%

Stemmen

1

1

1

B: [bank]

Vordering

€ 11.868.530

-

-

0%

%

100%

0%

0%

Stemmen

1

0

0

C: Belastingdienst (loonheffingen)

Vordering

€ 1.867.461

€ 1.867.461

€ 1.867.461

100%

%

100%

100%

100%

Stemmen

1

1

1

D: Concurrente schuldeisers

Vordering

€ 677.929

€ 643.447

€ 347.809

54%

%

100%

94,91%

51,30%

Stemmen

61

48

47

E: MKB- verhuurder

Vordering

€ 52.172

€ 52.172

€ 52.172

100%

%

100%

100%

100%

Stemmen

1

1

1

F: verhuurders

Vordering

€ 382.443

€ 382.443

€ 382.443

100%

%

100%

100%

100%

Stemmen

4

4

4

3.9.

Na indiening van het verzoekschrift heeft [verzoekster] een brief nagezonden van een concurrente schuldeiser (klasse D) met een vordering van circa € 140,00, waaruit volgt dat ook deze schuldeiser heeft ingestemd met het akkoord. De dagtekening van deze brief is 19 december 2024, waardoor [verzoekster] zich op het standpunt stelt dat deze stem binnen de stemtermijn is uitgebracht.

3.10.

In klasse D heeft alleen het UWV tegen het akkoord gestemd. Omdat het UWV een vordering van € 295.638 heeft, heeft dit ertoe geleid dat klasse D tegen heeft gestemd. [bank] (klasse B) heeft niet gestemd. Op 11 december 2024 heeft [bank] aan [verzoekster] bericht dat de reden hiervoor is dat zij geen economisch belang heeft bij het akkoord.

4 De verzoeken

5 De zienswijze van de observator

6 De beoordeling

7 De beslissing