Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14-05-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5501, C/02/426558 / HA ZA 24-516 (E)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14-05-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5501, C/02/426558 / HA ZA 24-516 (E)
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 14 mei 2025
- Datum publicatie
- 19 augustus 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5501
- Zaaknummer
- C/02/426558 / HA ZA 24-516 (E)
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid 2:248 BW. Verlieslatende ondernemingsactiviteiten van een eerder gefailleerde BV zijn op gelijke wijze voortgezet in een nieuw opgerichte BV die ook gefailleerd is. Het voortzetten en continueren van de verlieslatende ondernemingsactiviteiten met inherente risico’s voor crediteuren o.a. omdat de onderneming zowel voor haar omzet als voor haar financiering volledig afhankelijk was van zustervennootschappen, levert kennelijk onbehoorlijk bestuur op die een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.
Uitspraak
Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/426558 / HA ZA 24-516
Vonnis van 14 mei 2025
in de zaak van
MR. [de curator] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiser] B.V.,
kantoorhoudende te [plaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. E. van der Kolk te Tilburg,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
2. [gedaagde 2],
wonende te [plaats 3] ,
3. [gedaagde 3],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagden,
advocaat mr. A.P. Macro te Amsterdam.
Eiser zal hierna ‘de curator’ of ‘ [de curator] q.q.’ worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk ‘ [gedaagde 1] ’, ‘ [gedaagde 2] ’ en ‘ [gedaagde 3] ’ worden genoemd en gezamenlijk worden aangeduid als ‘ [gedaagden] ’ (enkelvoud en mannelijk). De gefailleerde zal hierna ook ‘ [eiser] ’ worden genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 5 september 2024,
- -
-
de akte overlegging producties en in het geding brengen van beslagstukken van 25 september 2024 met producties 1 tot en met 38 zijdens de curator,
- -
-
de akte van 23 oktober 2024 houdende aanvulling van gronden en het in geding brengen van producties 39 tot en met 88 zijdens de curator,
- -
-
de conclusie van antwoord van 4 december 2024 met producties 1 tot en met 10 zijdens [gedaagden] ,
- -
-
het tussenvonnis van 18 december 2024,
- -
-
de akte overlegging producties 89 tot en met 110 van 17 februari 2025 die de curator zowel in deze als in een andere zaak heeft ingebracht,
- -
-
de akte overlegging producties 111 tot en met 115 van 27 februari 2025 die de curator zowel in deze als in een andere zaak heeft ingebracht,
- -
-
de akte overlegging producties A, B en C van 2 maart 2025 die [eiser] zowel in deze als in een andere zaak heeft ingebracht,
- -
-
de akte overlegging producties 116 tot en met 119 van 4 maart 2025 die de curator zowel in deze als in een andere zaak heeft ingebracht,
- -
-
de op voorhand door de curator toegezonden spreekaantekeningen,
- -
-
de op voorhand door [eiser] toegezonden spreekaantekeningen,
- -
-
de mondelinge behandeling gehouden op 13 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
In 2012 is [bedrijf 1] B.V., hierna ook: ‘ [bedrijf 1] ’, opgericht. [bedrijf 1] produceert vóór haar faillissement afsluiters voor de olie- en gasindustrie. Enig statutair bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] is [bedrijf 2] B.V., hierna ook ‘ [bedrijf 2] ’. Bestuurder van [bedrijf 2] is [gedaagde 2] . Enig aandeelhouder van [bedrijf 2] is Stichting Administratiekantoor [bedrijf 2] , hierna ook ‘het Administratiekantoor’. [gedaagde 2] is bestuurder van het Administratiekantoor en is tezamen met zijn echtgenote [gedaagde 3] gerechtigd tot de door het Administratiekantoor uitgegeven certificaten.
De enige klant en afnemer van [bedrijf 1] is [eiser] B.V., hierna ook ‘ [eiser] ’. [eiser] hoort tot dezelfde groep als [bedrijf 1] , de zogenoemde [groep] . Enig bestuurder en aandeelhouder van [eiser] is [bedrijf 2] .
[bedrijf 1] is vanaf haar oprichting verliesgevend. De resultaten en het verloop van het eigen vermogen van [bedrijf 1] laten zich als volgt weergegeven:
-2013: resultaat: -/- € 770.000,00, eigen vermogen: -/- € 750.000,00
-2014: resultaat: -/- € 1.500.000,00, eigen vermogen: -/- € 2.200.000,00
-2015: resultaat: -/- € 3.000.000,00, eigen vermogen: -/- € 5.300.000,00
-2016: resultaat: -/- € 3.800.000,00, eigen vermogen: -/- € 9.100.000,00.
[eiser] B.V., hierna ook: ‘gefailleerde’ of ‘ [eiser] ’, is op 3 oktober 2016 opgericht. Enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser] is [gedaagde 1] B.V. Enig aandeelhouder van [gedaagde 1] is [gedaagde 2] . Statutair bestuurders van [gedaagde 1] zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .
Op 1 augustus 2017 is [bedrijf 1] door de rechtbank Rotterdam in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. [naam] als curator.
Alle rechtspersonen vermeld onder 2.1. - 2.4. behoren tot de zogenoemde [groep] . [gedaagde 2] staat aan het hoofd van de [groep] .
Vóór haar faillissement produceert [eiser] (net als haar voorganger [bedrijf 1] ) afsluiters voor de olie- en de gasindustrie. Machines en andere inventarisgoederen waarmee deze afsluiters worden geproduceerd, zijn eigendom van aan [gedaagde 2] gelieerde rechtspersonen. [eiser] heeft slechts één afnemer aan wie de afsluiters worden verkocht en
geleverd en dat is [eiser] . Het bedrijfspand waarin [eiser] haar ondernemingsactiviteiten ontplooit, is van een groepsmaatschappij van [eiser] tevens behorende tot de [groep] , [bedrijf 3] B.V., hierna ook ‘ [bedrijf 3] ’.
[eiser] wordt -naast het geplaatste kapitaal van € 5.000,00- door middel van vooruitbetalingen en voorschotten door aan [gedaagde 2] gelieerde rechtspersonen, waaronder [eiser] , gefinancierd. [eiser] heeft geen financiering van een bankinstelling of een andere externe financier. Transacties tussen [eiser] en [eiser] (en andere aan [gedaagde 2] gelieerde rechtspersonen) worden in rekening-courant geboekt en verrekend onder andere op grond van de tussen [eiser] en [eiser] tot stand gekomen schriftelijke rekening-courant overeenkomst. Op dit document is de datum van 4 oktober 2017 vermeld.
In deze op 4 oktober 2017 gedateerde rekening-courant overeenkomst tussen [eiser] en [eiser] is in artikel 7 een verbintenis tot zekerheidstelling van [eiser] geformuleerd:
‘De ondergetekende sub 2 [opmerking rechtbank: [eiser] ] zal tot zekerheid voor de voldoening van al haar verplichtingen onder deze rekening-courant verhouding jegens de ondergetekende sub 1 [opmerking rechtbank: [eiser] ] het gereed product of onderhanden werk zijnde halffabricaten en materialen die bestemd zijn voor verwerking in het productieproces als zekerheid overdragen middels het vestigen van een pandrecht waartoe een akte van verpanding zal worden opgesteld met een bijlage waarin het onderhanden werk staat vermeld. De bijlage zal periodiek worden aangepast wanneer hiertoe noodzaak bestaat maar in ieder geval ieder jaar op 31 december.’
Op 31 augustus 2022 is aan dit document een addendum gehecht, de zogenoemde ‘Meerpartijenverrekeningsafspraak’. Het addendum vermeldt dat 15 vennootschappen behorende tot het [groep] , waaronder [eiser] en [eiser] , met elkaar overeenkomen dat:
‘zij in afwijking van artikel 6:127 lid 2 BW voor verrekening niet over en weer elkaars schuldeisers hoeven te zijn.’
Een op 1 oktober 2017 gedateerd document ‘akte van verpanding’ tussen [eiser] en [eiser] vermeldt in artikel 2:
‘Pandgever verpandt deze zekerheden bij deze aan pandnemer, gelijk pandnemer bij deze als pand aanvaardt:
het gereed product of onderhanden werk zijnde halffabricaten en materialen die bestemd zijn voor verwerking in het productieproces;’
[eiser] heeft na haar oprichting vanaf 2017 slechts verliezen geleden hetgeen uit het verloop van haar eigen vermogen en resultaten blijkt:
eigen vermogen 2017 -/- € 1.385.647,00
eigen vermogen 2018 -/- € 4.303.969,00
eigen vermogen 2019 -/- € 4.695.836,00
eigen vermogen 2020 -/- € 6.739.243,00
eigen vermogen 2021 -/- € 8.051.042,00
eigen vermogen 2022 -/- € 9.773.124,00
eigen vermogen 2023 -/- €11.161.507,00.
resultaat 2019 na Vpb1 -/- € 391.867,00
resultaat 2020 na Vpb -/- € 2.043.407,00
resultaat 2021 na Vpb -/- € 1.311.799,00
resultaat 2022 na Vpb -/- € 1.722.082,00
resultaat 2023 na Vpb -/- € 1.383.383,00
resultaat 2024 na Vpb -/- € 61.044,00.
Vanaf maart 2023 zijn (de) machines die bij [eiser] in gebruik waren naar Italië getransporteerd en voor de productie van afsluiters in gebruik gegeven aan een Italiaanse groepsmaatschappij, [bedrijf 4] Srl.
Op 3 juli 2023 en op 7 augustus 2023 meldt [gedaagde 2] namens [eiser] betalingsonmacht aan de belastingdienst voor onbetaald gelaten loonbelasting, ‘betalingsregeling coronacrisis’ en omzetbelasting.2
Op 1 december 2023 legt de Ontvanger executoriaal bodembeslag ten laste van [eiser] voor niet afgedragen omzetbelasting en loonbelasting. Op 27 februari 2024 is dit beslag -nadat [eiser] zich op 6 december 2023 hiertegen schriftelijk heeft verzet- opgeheven omdat de belastingdienst van mening is dat de beslagen goederen geen reëel eigendom zijn van [eiser] maar van andere aan [gedaagde 2] gelieerde rechtspersonen.
In december 2023 verkoopt en levert [eiser] al haar halffabricaten en voorraden aan [eiser] tegen een totale koopsom van € 2.800.625,53. In verband met deze transacties heeft [eiser] in december 2023 telkens gefactureerd. Deze 41 facturen zijn gedateerd op 4 december 2023, 11 december 2023, 13 december 2023 en 14 december 2023 en zijn genummerd van [nummer 1] tot en met [nummer 2] .3 Het totaalbedrag van € 2.800.625,53 van deze facturen is in rekening-courant geboekt en vervolgens is de schuld van [eiser] aan [eiser] op 31 december 2023 verrekend met de rekening-courant vordering van [eiser] op [eiser] .
Op het op 6 februari 2024 gedateerde verzoek van de vennootschap naar Italiaans recht [bedrijf 5] S.R.L. spreekt de rechtbank Rotterdam op 5 maart 2024 het faillissement van [eiser] uit. Bij vonnis van 5 maart 2024 van de rechtbank Rotterdam wordt [eiser] in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. [de curator] als curator.
Bij brief van 3 april 2024 sommeert de curator [eiser] om de bedragen van € 2.800.625,53 en € 48.400,00 inclusief BTW aan de boedel van [eiser] te betalen, te vermeerderen met rente en kosten. [eiser] bericht de curator bij emailbericht van 4 april 2024 dat aan de sommatie geen gevolg zal worden gegeven. In een afzonderlijke gerechtelijke procedure vordert de curator betaling van deze bedragen van [eiser] .
Bij brief van 19 juli 2024 heeft de curator [gedaagden] als bestuurders van [eiser] aansprakelijk gesteld (productie 17 bij dagvaarding).
De rechter-commissaris verleent aan [de curator] q.q. toestemming om onderhavige vordering tegen [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in te stellen.
Blijkens de op 8 oktober 2024 gedateerde lijst van voorlopige erkende preferente crediteuren van de curator bedraagt de schuldenlast van [eiser] € 5.694.966,83.4 Blijkens de op
8 oktober 2024 gedateerde lijst van voorlopig erkende concurrente crediteuren van de curator bedraagt de schuldenlast van [eiser] € 4.666.590,33.5
Onder andere [gedaagde 2] , [bedrijf 2] en [eiser] zijn bij arrest van 4 februari 2025 van het Gerechtshof Den Haag veroordeeld om aanzienlijke geldsommen aan de curator van [bedrijf 1] te betalen en/of te vergoeden wegens benadeling van schuldeisers van [bedrijf 1] door
onder andere voortzetting van steeds verlieslatende ondernemingsactiviteiten zonder deugdelijke financiering.67