Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14-05-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5504, C/02/421471 / HA ZA 24-189 (E)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14-05-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5504, C/02/421471 / HA ZA 24-189 (E)
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 14 mei 2025
- Datum publicatie
- 19 augustus 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5504
- Zaaknummer
- C/02/421471 / HA ZA 24-189 (E)
Inhoudsindicatie
Faillissementspauliana. Curator heeft de koop-verkoop van voorraad en halffabricaten, waarbij de koopsom is verrekend in rekening-courant, terecht op grond van artikel 42 Faillissementswet vernietigd omdat (i) de handeling een rechtshandeling van HQ is (ii) die onverplicht is verricht en (iii) die tot benadeling van crediteuren heeft geleid waarbij (iv) zowel HQ als MV wist of behoorde te weten dat benadeling van crediteuren het gevolg zou zijn.
Uitspraak
vonnis
Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/421471 / HA ZA 24-189
Vonnis van 14 mei 2025
in de zaak van
MR. [de curator] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiser] B.V.,
kantoorhoudende te [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. E. van der Kolk te Tilburg,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. A.P. Macro te Amsterdam.
Partijen zullen hierna ook de ‘curator’ en ‘ [gedaagde] ’ worden genoemd. [eiser] B.V. zal hierna ook ‘ [eiser] ’ en/of ‘gefailleerde’ worden genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 11 april 2024,
- -
-
de akte overlegging producties en in het geding brengen van beslagstukken van 24 april 2024 met producties 1 tot en met 31 zijdens de curator,
- -
-
de akte houdende overlegging nadere beslagstukken van 24 april 2024 met producties 32 en 33 zijdens de curator,
- -
-
de akte houdende wijziging/vermeerdering van eis van 29 mei 2024 tevens houdende akte aanvulling van gronden met producties 34 tot en met 43 zijdens de curator,
- -
-
de akte van 5 juni 2024 houdende een bewijsaanbod zijdens de curator,
- -
-
de conclusie van antwoord van 17 juli 2024 met producties 1 tot en met 10 zijdens [gedaagde] ,
- -
-
het tussenvonnis van 18 september 2024,
- -
-
de akte overlegging producties 89 tot en met 110 van 17 februari 2025 die de curator zowel in deze als in een andere zaak heeft ingebracht,
- -
-
de akte overlegging producties 111 tot en met 115 van 27 februari 2025 die de curator zowel in deze als in een andere zaak heeft ingebracht,
- -
-
de akte overlegging producties A, B en C van 2 maart 2025 die [gedaagde] zowel in deze als in een andere zaak heeft ingebracht,
- -
-
de akte overlegging producties 116 tot en met 119 van 4 maart 2025 die de curator zowel in deze als in een andere zaak heeft ingebracht,
- -
-
de op voorhand door de curator toegezonden spreekaantekeningen,
- -
-
de op voorhand door [gedaagde] toegezonden spreekaantekeningen,
- -
-
de mondelinge behandeling gehouden op 13 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser] is op 3 oktober 2016 opgericht. Enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser] is [bedrijf 1] B.V., hierna ook: ‘ [bedrijf 1] ’. Enig aandeelhouder van [bedrijf 1] is de heer [persoon 1] , hierna ook ‘ [persoon 1] ’. Statutaire bestuurders van [bedrijf 1] zijn [persoon 1] en zijn echtgenote mevrouw [persoon 2] , hierna ook ‘ [persoon 2] ’.
Enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde] is [bedrijf 2] B.V., hierna ook: ‘ [bedrijf 2] ’. Enig aandeelhouder van [bedrijf 2] is Stichting Administratiekantoor [bedrijf 2] , hierna ook ‘het Administratiekantoor’. Enig bestuurder van [bedrijf 2] is [persoon 1] .
Enig bestuurder van het Administratiekantoor is [persoon 1] . [persoon 1] en [persoon 2] houden tezamen alle door het Administratiekantoor uitgegeven certificaten van aandelen in [bedrijf 2] .
Alle rechtspersonen vermeld onder 2.1. - 2.3. behoren tot de zogenoemde [groep] . [persoon 1] staat aan het hoofd van de [groep] .
Vóór haar faillissement produceert [eiser] zogenoemde afsluiters voor in het bijzonder de olie- en de gasindustrie. Machines en andere inventarisgoederen waarmee deze afsluiters worden geproduceerd, zijn eigendom van aan [persoon 1] en [persoon 2] gelieerde rechtspersonen. [eiser] heeft slechts één afnemer aan wie de afsluiters worden verkocht en geleverd en dat is [gedaagde] . Ook het bedrijfspand waarin [eiser] haar ondernemingsactiviteiten ontplooit is van een groepsmaatschappij.
[eiser] wordt -naast het geplaatste kapitaal- door middel van vooruitbetalingen en voorschotten door aan [persoon 1] en [persoon 2] gelieerde rechtspersonen, waaronder [gedaagde] , gefinancierd. [eiser] ontvangt geen financiering van een bankinstelling of een andere externe financier. Transacties tussen [eiser] en [gedaagde] (en andere aan [persoon 1] en [persoon 2] gelieerde rechtspersonen) worden in rekening-courant geboekt en verrekend onder andere op grond van de tussen [eiser] en [gedaagde] tot stand gekomen schriftelijke rekening-courant overeenkomst. Op dit document is de datum van 4 oktober 2017 vermeld.
In deze op 4 oktober 2017 gedateerde rekening-courant overeenkomst is in artikel 7 een verbintenis tot zekerheidstelling van [eiser] geformuleerd:
‘De ondergetekende sub 2 zal tot zekerheid voor de voldoening van al haar verplichtingen onder deze rekening-courant verhouding jegens de ondergetekende sub 1 het gereed product of onderhanden werk zijnde halffabricaten en materialen die bestemd zijn voor verwerking in het productieproces als zekerheid overdragen middels het vestigen van een pandrecht waartoe een akte van verpanding zal worden opgesteld met een bijlage waarin het onderhanden werk staat vermeld. De bijlage zal periodiek worden aangepast wanneer hiertoe noodzaak bestaat maar in ieder geval ieder jaar op 31 december.’
Op 31 augustus 2022 is aan dit document een addendum gehecht, de zogenoemde ‘Meerpartijenverrekeningsafspraak’. Het addendum vermeldt dat 15 vennootschappen behorende tot het [groep] , waaronder [eiser] en [gedaagde] , met elkaar overeenkomen dat:
‘zij in afwijking van artikel 6:127 lid 2 BW voor verrekening niet over en weer elkaars schuldeisers hoeven te zijn.’
Een op 1 oktober 2017 gedateerd document ‘akte van verpanding’ tussen [eiser] en [gedaagde] vermeldt in artikel 2:
‘Pandgever verpandt deze zekerheden bij deze aan pandnemer, gelijk pandnemer bij deze als pand aanvaardt:
het gereed product of onderhanden werk zijnde halffabricaten en materialen die bestemd zijn voor verwerking in het productieproces;’
[eiser] heeft vanaf 2017 slechts verliezen geleden hetgeen uit het verloop van het eigen vermogen en de negatieve resultaten blijkt:
eigen vermogen 2017 -/- € 1.385.647,00
eigen vermogen 2018 -/- € 4.303.969,00
eigen vermogen 2019 -/- € 4.695.836,00
eigen vermogen 2020 -/- € 6.739.243,00
eigen vermogen 2021 -/- € 8.051.042,00
eigen vermogen 2022 -/- € 9.773.124,00
eigen vermogen 2023 -/- €11.161.507,00.
resultaat 2019 na Vpb1 -/- € 391.867,00
resultaat 2020 na Vpb -/- € 2.043.407,00
resultaat 2021 na Vpb -/- € 1.311.799,00
resultaat 2022 na Vpb -/- € 1.722.082,00
resultaat 2023 na Vpb -/- € 1.383.383,00
resultaat 2024 na Vpb -/- € 61.044,00
Vanaf maart 2023 zijn (de) machines die bij [eiser] in verband met de productie van afsluiters in gebruik waren naar Italië getransporteerd en voor de productie van afsluiters in gebruik gegeven aan een Italiaanse zustermaatschappij 2.
Op 3 juli 2023 en op 7 augustus 2023 meldt [persoon 1] namens [eiser] betalingsonmacht aan de belastingdienst voor onbetaald gelaten loonbelasting, onbetaald gelaten betalingsregeling coronacrisis en onbetaald gelaten omzetbelasting.3
Op 1 december 2023 heeft de belastingdienst executoriaal bodembeslag gelegd ten laste van [eiser] voor niet afgedragen omzetbelasting en loonbelasting. Op 27 februari 2024 is dit beslag -nadat [eiser] zich op 6 december 2023 hiertegen schriftelijk heeft verzet4- opgeheven omdat de beslagen goederen reëel eigendom zijn van aan [persoon 1] gelieerde rechtspersonen.
In december 2023 verkoopt en levert [eiser] al haar halffabricaten en voorraden aan [gedaagde] tegen een totale koopsom van € 2.800.625,53. In verband met deze verkopen heeft [eiser] [gedaagde] in december 2023 telkens gefactureerd. Deze 41 facturen zijn gedateerd op 4 december 2023, 11 december 2023, 13 december 2023 en 14 december 2023 en zijn genummerd van [nummer 1] tot en met [nummer 2] .5 Het totaalbedrag van deze facturen van € 2.800.625,53 is in rekening-courant geboekt en vervolgens is de schuld van [gedaagde] aan [eiser] op 31 december 2023 verrekend met de (rekening-courant) vordering van [gedaagde] op [eiser] .
Op het op 6 februari 2024 gedateerde verzoek van de vennootschap naar Italiaans recht [bedrijf 3] S.R.L. spreekt de rechtbank Rotterdam op 5 maart 2024 het faillissement van [eiser] uit. Bij vonnis van 5 maart 2024 van de rechtbank Rotterdam wordt [eiser] in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. [de curator] als curator.6
In opdracht van [gedaagde] heeft de curator tegen de overeengekomen aanneemsom van € 40.000,00 exclusief BTW werkzaamheden doen verrichten. [gedaagde] is hiervoor op 18 maart 2024 gefactureerd.7 De tussen [gedaagde] en de curator overeengekomen tegenprestatie heeft [gedaagde] onbetaald gelaten.
Bij brief van 3 april 2024 sommeert de curator [gedaagde] om de bedragen van € 2.800.625,53 en € 48.400,00 inclusief BTW aan de boedel van [eiser] te betalen, te vermeerderen met rente en kosten. [gedaagde] bericht de curator bij emailbericht van 4 april 2024 dat aan de sommatie geen gevolg zal worden gegeven.
De rechter-commissaris in het faillissement van [eiser] verleent aan de curator toestemming om onderhavige vorderingen tegen [gedaagde] in te stellen.
3 Het geschil
De curator vordert -samengevat en na wijziging van zijn eis- dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. voor recht verklaart dat de curator rechtsgeldig op grond van artikel 42 Faillissementswet (‘Fw’), althans 47 Fw heeft vernietigd de verkoop van diverse zaken in december 2023 aan [gedaagde] als nader omschreven in de facturen van december 2023 en voor zover vereist in rechte deze koopovereenkomsten vernietigt,
II. voor recht verklaart dat [gedaagde] jegens de gezamenlijke crediteuren in het faillissement van [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door te kopen en vervolgens te verrekenen de koopsom van de zaken die [gedaagde] in december 2023 heeft gekocht van [eiser] ,
subsidiair
III. voor recht verklaart dat [gedaagde] per 1 december 2023 te 13:00 uur niet meer te goeder trouw was als bedoeld in artikel 54 Fw en derhalve niet bevoegd is/ was om tot verrekening over te gaan van vorderingen op haar ontstaan na voormeld tijdstip met vorderingen ontstaan voor voormeld tijdstip,
zowel primair als subsidiair
IV. [gedaagde] veroordeelt om aan de curator € 2.800.625,53 te betalen, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente vanaf 5 maart 2024 (datum faillissement),
V. [gedaagde] veroordeelt om aan de curator € 48.400,00 inclusief btw te betalen, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente vanaf 1 april 2024, althans vanaf de dag der dagvaarding,
VI. [gedaagde] veroordeelt om aan de curator € 1.788,00 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding,
VII. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten waaronder begrepen de beslagkosten.
Aan de vorderingen legt de curator de stellingen ten grondslag dat de koop-verkoop van voorraad en halffabricaten in december 2023 op grond van artikel 42 Fw dient te worden vernietigd. Crediteuren van [eiser] zijn door deze transactie benadeeld, terwijl zowel [eiser] als [gedaagde] wist, althans behoorde te weten, dat hiervan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn. Ingevolge de vernietiging dient [gedaagde] de voorraad en halffabricaten aan de curator te retourneren. Op [gedaagde] rust als gevolg van de rechtsgeldige vernietiging immers een verbintenis tot ongedaanmaking. Omdat [gedaagde] hiertoe niet in staat is en als gevolg hiervan in de nakoming van deze verbintenis tekortschiet, is [gedaagde] jegens de curator verplicht de dientengevolge geleden schade te vergoeden. Deze aan de tekortkoming toerekenbare schade bedraagt € 2.800.625,53 inclusief BTW. Verder dient [gedaagde] voor door de curator uitgevoerd werk de som van € 48.400,00 inclusief BTW te betalen. Het werk en dit bedrag zijn [gedaagde] en de curator met elkaar overeengekomen, terwijl [gedaagde] ondanks sommatie nalatig blijft dit bedrag aan de boedel van [eiser] te voldoen. Op grond van artikel 3:296 BW dient [gedaagde] tot betaling van het bedrag van € 48.400,00 inclusief BTW te worden veroordeeld. Aan de veroordeling van [gedaagde] om het bedrag van € 2.800.625,53 aan de boedel van [eiser] te betalen, legt de curator ook andere rechtsgronden (ex artikel 47 Fw, 54 Fw en 6:162 BW) ten grondslag. De rechtbank komt aan een beoordeling van deze andere door de curator opgevoerde rechtsgronden en de daartegen gerichte verweren van [gedaagde] niet toe, zodat deze verder onbesproken blijven.
[gedaagde] voert verweer. Aan dit verweer legt [gedaagde] onder meer de navolgende stellingen ten grondslag. Allereerst voert [gedaagde] een procedureel verweer. Volgens [gedaagde] is de pleitnota van de curator een verkapte conclusie van repliek. Op grond van de goede procesorde en het rechtsbeginsel van hoor en wederhoor dient aan [gedaagde] nog een termijn voor een schriftelijke reactie te worden gegund. In 48 uur kan niet van [gedaagde] worden verlangd om deugdelijk op deze pleitnota te reageren. Ook voert [gedaagde] inhoudelijk verweer. De bepaling van artikel 42 Fw mist toepassing, aldus [gedaagde] . [eiser] heeft namelijk geen rechtshandeling verricht die voor vernietiging in aanmerking komt. De verrekening van de koopsom is geen rechtshandeling van [eiser] , maar van [gedaagde] . Ook het in vuistpand nemen van deze goederen is geen rechtshandeling van [eiser] . Van onverplichtheid is ook geen sprake. Aan alle leveringen aan [gedaagde] liggen schriftelijke overeenkomsten ten grondslag. De verrekening in rekening-courant vindt zijn grondslag in een schriftelijke overeenkomst. De gezamenlijke crediteuren van [eiser] zijn door de aangevallen transactie niet benadeeld. De koopsom van de voorraad en halffabricaten had [gedaagde] immers al aan [eiser] vooruitbetaald. Er is verder niets aan de boedel van [eiser] onttrokken: de goederen waren immers al vooruitbetaald, waren specifiek en op maat voor [gedaagde] geproduceerd en hadden daarom voor derden slechts schrootwaarde. De facturen uit december 2023 had [gedaagde] al betaald. Zonder vooruitbetalingen door [gedaagde] kon [eiser] de voorraad en halffabricaten niet produceren. Daarnaast geldt dat de gezamenlijke crediteuren zonder de transactie met [gedaagde] uit december 2023 evenmin een uitkering zouden hebben ontvangen. Crediteuren lijden dus geen nadeel. Ook dient een vermogensvergelijking te worden uitgevoerd. [gedaagde] had de voorraad en de halffabricaten op grond van de verpanding ook in vuistpand kunnen nemen en heeft dat ook feitelijk gedaan. De crediteuren van [eiser] zouden in dat geval ook niets hebben ontvangen. Van wetenschap van benadeling van [gedaagde] en [eiser] is ook geen sprake. Het faillissement kwam als een volslagen verrassing en was zeker niet voorzienbaar. Partijen mochten hopen op een goede afloop. Er waren schulden maar de schuldenlast van [eiser] gaf geen aanleiding om te veronderstellen dat deze last zou leiden tot haar faillissement. De vordering van € 48.400,00 inclusief BTW dient te worden afgewezen: hiervoor heeft [gedaagde] immers zekerheid gesteld en een verklaring van het UWV dat bevrijdend aan de curator kan worden betaald, is niet aan [gedaagde] ter beschikking gesteld. Subsidiair beroept [gedaagde] zich op dwaling. Zou zij hebben geweten dat zij het risico loopt twee keer te moeten betalen, dan zou [gedaagde] deze overeenkomst niet met curator hebben gesloten. Gelet op het aanzienlijke restitutierisico dient een eventueel veroordelend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te worden verklaard, althans onder de voorwaarde van zekerheidstelling.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.