Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 05-02-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:628, C/02/414713 / HA ZA 23-532 (E)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 05-02-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:628, C/02/414713 / HA ZA 23-532 (E)

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
5 februari 2025
Datum publicatie
20 februari 2025
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2025:628
Zaaknummer
C/02/414713 / HA ZA 23-532 (E)

Inhoudsindicatie

Besluit van de gemeente om de jeugdgezondheidszorg volledig bij de GGD neer te leggen. Is er sprake van een overeenkomst met de GGD? Heeft de gemeente onrechtmatig gehandeld om de jeugdgezondheidszorg niet (deels) uit te besteden aan een derde als bedoeld in artikel 14 lid 4 van de Wet publieke gezondheid? Is het besluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

Uitspraak

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/414713 / HA ZA 23-532

Vonnis van 5 februari 2025

in de zaak van

JONG JGZ B.V.,

te Dordrecht,

eisende partij,

hierna te noemen: Jong JGZ,

advocaat: mr. A. Stellingwerff Beintema,

tegen

1 GEMEENTE BREDA,

te Breda,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. S. Elbertsen en mr. N.A.D. Groot,2. GGD WEST-BRABANT,

te Breda,

hierna te noemen: de GGD,

advocaat: mr. D.J.G. Timmermans,

gedaagde partijen.

1 De zaak in het kort

1.1.

Het gaat in deze zaak over de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg in de centrumwijken en de dorpen van de gemeente Breda. De Gemeente heeft besloten om deze zorg vanaf 1 januari 2024 volledig neer te leggen bij de GGD. Voor Jong JGZ had dit tot gevolg dat zij de tot dat moment door haar jarenlange (op verschillende bases) verleende jeugdgezondheidszorg van 0-4 jaar1 in de centrumwijken van Breda aan de Gemeente moest overdragen. Jong JGZ stelt dat de Gemeente om verschillende redenen onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Volgens Jong JGZ is sprake van een overheidsopdracht waarnaar zij had moeten kunnen meedingen. De GGD en de Gemeente betwisten dit. Hun meest verstrekkende verweer houdt in dat er geen overeenkomst/overheidsopdracht tussen de GGD en de Gemeente tot stand is gekomen.

1.2.

De rechtbank komt in dit vonnis tot het oordeel dat uit het (hierna geschetste) wettelijke kader volgt dat de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg en overige gerelateerde werkzaamheden die in deze procedure centraal staan2, tot de taken behoort die vanuit de wet al door de Gemeente aan de GGD zijn opgedragen. Met het besluit heeft de Gemeente ervoor gekozen om het in de wet neergelegde uitgangspunt te volgen. Dit leidt uiteindelijk tot de conclusie dat alle vorderingen worden afgewezen.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het tussenvonnis van 31 januari 2024 en de daarin genoemde stukken;

– de door Jong JGZ bij brief van 19 september 2024 toegestuurde producties 18 tot en met 24;

– de mondelinge behandeling van 1 oktober 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;

– de spreekaantekeningen van partijen.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

4 Het geschil

5 De beoordeling

6 De beslissing