Home

Raad van State, 24-11-2004, AR6296, 200403447/1

Raad van State, 24-11-2004, AR6296, 200403447/1

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24 november 2004
Datum publicatie
24 november 2004
ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AR6296
Zaaknummer
200403447/1

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2004, kenmerk 03.1532, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het houden van schapen, geiten en pluimvee, alsmede voor het verkopen en ver- en bewerken van vlees op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Haaksbergen, sectie [...], nummer [...]. Dit besluit is op 12 maart 2004 ter inzage gelegd.

Uitspraak

200403447/1.

Datum uitspraak: 24 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2004, kenmerk 03.1532, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het houden van schapen, geiten en pluimvee, alsmede voor het verkopen en ver- en bewerken van vlees op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Haaksbergen, sectie [...], nummer [...]. Dit besluit is op 12 maart 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 22 april 2004, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van derde-belanghebbenden. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. G.J. Haverkamp en V. Jager, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [derde belanghebbende] daar als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op het houden van 20 schapen en 20 geiten voor de slacht elders, het houden van 50 kippen die binnen de inrichting worden geslacht alsmede het verkopen en be- en verwerken van vlees.

2.2. Appellante betoogt dat verweerder in de considerans van het bestreden besluit haar ten onrechte de plicht heeft opgelegd om vóór 1 november 2004 de aangevraagde en vergunde in- en uitrit aan de zijde van de [locatie] te realiseren.

2.3. Ter zitting is gebleken dat de aanvraag om de bij het bestreden besluit verleende vergunning zowel een nieuw aan te leggen in- en uitrit aan de zijde van de [locatie] omvat als een reeds bestaande in- en uitrit aan de andere zijde van het perceel. Blijkens het verhandelde ter zitting is verweerder in het ontwerp van het bestreden besluit uitgegaan van beide inritten. In het bestreden besluit is hij hier niet op terug gekomen. In het dictum van het bestreden besluit heeft verweerder besloten de gevraagde vergunning te verlenen conform de overwegingen in de considerans van het besluit alsmede besloten dat de aanvraag en alle als zodanig gewaarmerkte bescheiden deel uitmaken van de vergunning.

De Afdeling overweegt dat de enkele verwijzing in het dictum van het bestreden besluit naar de overwegingen die ten grondslag liggen aan dat besluit niet zo kan worden begrepen, dat de overwegingen integraal deel uitmaken van het dictum. Gelet hierop is bij het bestreden besluit geen verplichting aan appellante opgelegd om voor 1 november 2004 de aangevraagde en vergunde in- en uitrit aan de zijde van de [locatie] te realiseren.

Gelet op het vorenstaande richt het beroep van appellante zich uitsluitend tegen een overweging van verweerder in de considerans van het bestreden besluit. De Afdeling overweegt dat deze overweging geen op zelfstandig rechtsgevolg gericht onderdeel van het bestreden besluit is. Het is niet mogelijk om uitsluitend beroep in te stellen tegen een overweging, indien het dictum van het besluit overeenstemt met de beslissing die men van het bestuursorgaan verlangde. Nu appellante een besluit met het door haar verlangde dictum heeft verkregen, is beroep tegen uitsluitend voornoemde overweging dan ook niet mogelijk.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2004

312-443.