Home

Raad van State, 19-11-2025, ECLI:NL:RVS:2025:5625, 202307634/1/R2

Raad van State, 19-11-2025, ECLI:NL:RVS:2025:5625, 202307634/1/R2

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19 november 2025
Datum publicatie
19 november 2025
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:5625
Zaaknummer
202307634/1/R2

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten het bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" vastgesteld. Het plan maakt de bouw van een extra woning op een perceel aan de Johan Frisostraat mogelijk. Daartoe is aan de gronden een bouwvlak toegekend. In het bouwvlak op het perceel is een bouwwerk met een maximum bouwhoogte van 10 m en een maximum goothoogte van 6,5 m toegestaan. [belanghebbende] is eigenaar van het perceel en woonde op het moment van de vaststelling van het plan op het perceel aan de [locatie 1]. Dat perceel ligt ten zuiden van het perceel. [appellant A] en [appellante B] wonen naast en ten noorden van het perceel en naast de mogelijk gemaakte nieuwe woning, op het adres aan de [locatie 2]. Zij vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat. [appellant A] en [appellante B] betogen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij voeren aan dat het plan hun woon- en leefklimaat aantast.

Uitspraak

202307634/1/R2.

Datum uitspraak: 19 november 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B], beiden wonend in Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest, herziening Johan Frisostraat ongenummerd" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellante B] beroep ingesteld.

[belanghebbende], initiatiefnemer, heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellante B] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 17 september 2025, waar [appellant A] en [appellante B], bijgestaan door mr. L.C.G. Hoenselaar, advocaat in Eindhoven, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Mutsaers-Öztürk, zijn verschenen. Verder is op de zitting [belanghebbende], bijgestaan door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 10 februari 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het plan maakt de bouw van een extra woning op een perceel aan de Johan Frisostraat (hierna: het perceel) mogelijk. Daartoe is aan de gronden een bouwvlak toegekend. In het bouwvlak op het perceel is een bouwwerk met een maximum bouwhoogte van 10 m en een maximum goothoogte van 6,5 m toegestaan. [belanghebbende] is eigenaar van het perceel en woonde op het moment van de vaststelling van het plan op het perceel aan de [locatie 1]. Dat perceel ligt ten zuiden van het perceel. [appellant A] en [appellante B] wonen naast en ten noorden van het perceel en naast de mogelijk gemaakte nieuwe woning, op het adres aan de [locatie 2]. Zij vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Ingetrokken beroepsgronden

4. [appellant A] en [appellante B] hebben op de zitting de beroepsgronden, die gaan over strijd met het gemeentelijke beleid, de blauwe spar en de omgevingsdialoog, ingetrokken. De Afdeling zal daarom geen inhoudelijk oordeel geven over deze beroepsgronden.

Verbod van vooringenomenheid

5. [appellant A] en [appellante B] betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met het verbod van vooringenomenheid. Daarover voeren zij aan dat [belanghebbende] als raadslid van de VVD heeft meegestemd bij de vaststelling van het plan, maar toen ook eigenaar was van het perceel aan de [locatie 1]. Hij had een persoonlijk belang bij de vaststelling van het plan en daardoor is de schijn van belangenverstrengeling gewekt.

5.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd met het verbod van vooringenomenheid is vastgesteld. Het voorstel is namelijk besproken in de oordeelsvormende raadsvergadering van 3 oktober 2023, waar [belanghebbende] niet aanwezig was. Vervolgens is in die vergadering besloten het stuk als hamerstuk door te geleiden naar de besluitvormende raadsvergadering van 12 oktober 2023, waar de raad unaniem heeft ingestemd met het voorstel tot vaststelling van het plan en het voorstel als hamerstuk heeft afgedaan.

5.2. Volgens artikel 2:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid.

Volgens het tweede lid van dit artikel waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0796, strekt artikel 2:4, tweede lid, van de Awb ertoe de burger een waarborg te bieden voor naleving van de in het eerste lid neergelegde norm, inhoudende dat het bestuursorgaan zijn taak vervult zonder vooringenomenheid. Daartoe wordt, niet aan de in de bepaling bedoelde personen individueel, maar aan het tot besluiten bevoegd bestuursorgaan, een zorgplicht opgelegd die in elk geval inhoudt dat door het orgaan wordt voorkomen dat de besluitvorming niet meer voldoet aan de in het eerste lid neergelegde norm.

Met het begrip ‘persoonlijk’ is blijkens de wetgeschiedenis van dit artikel (Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 55) gedoeld op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2586, onder 4.1). In aanmerking genomen dat het hier gaat om besluitvorming door de gemeenteraad die een belangenafweging vergt, waarbij politieke inzichten een belangrijke rol spelen, ligt het in de rede voor de invulling van het begrip 'persoonlijk belang' aansluiting te zoeken bij artikel 28, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet. Deze bepaling moet strikt worden uitgelegd, omdat daarbij het fundamentele recht van een raadslid om deel te nemen aan een stemming wordt ingeperkt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:340, onder 9.3).

5.3. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:687, onder 4.4, volgt uit artikel 2:4 van de Awb in het algemeen niet dat een persoon die deel uitmaakt van een democratisch gekozen bestuursorgaan zoals de gemeenteraad en die bij een besluit een belang heeft, zich zou moeten onthouden van deelname aan de besluitvorming. Dit zou afbreuk doen aan de taak en de fundamentele rechten van een gekozen volksvertegenwoordiger en daarmee aan het democratische proces. De gemeenteraad mag met het oog op het democratische proces dan ook niet verhinderen dat een lid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen. Maar het voorgaande neemt niet weg dat deelname van een lid met zo’n persoonlijk belang ertoe kan leiden dat de bestuursrechter tot het oordeel moet komen dat het betreffende besluit is genomen in strijd met artikel 2:4 van de Awb. Maar de conclusie dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit heeft genomen, kan pas worden getrokken, indien zich bijkomende omstandigheden voordoen die maken dat de behartiging van een persoonlijk belang van een raadslid in het bijzonder aan de orde is bij het besluitvormingsproces.

5.4. Van zulke bijkomende omstandigheden is de Afdeling niet gebleken. Weliswaar was [belanghebbende] raadslid, heeft hij ingestemd met het plan en had hij op het moment van de vaststelling van het plan een persoonlijk voordeel, omdat hij eigenaar was van het perceel, maar dat is in dit geval niet voldoende voor het oordeel dat de behartiging van zijn persoonlijk belang in het bijzonder aan de orde was bij het besluitvormingsproces. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [belanghebbende] niet aanwezig was bij de oordeelsvormende raadsvergadering en dat bij de besluitvormende raadsvergadering vervolgens niet meer is gesproken over het plan. [appellant A] en [appellante B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat [belanghebbende] invloed heeft uitgeoefend en de andere raadsleden heeft beïnvloed. [belanghebbende] was bovendien één van de zeventien raadsleden die heeft ingestemd met het plan. Het in eigendom hebben van het perceel is in dit geval niet voldoende om bijkomende omstandigheden aan te nemen en van andere bijkomende omstandigheden is niet gebleken. Gelet hierop is het plan niet in strijd met artikel 2.4, tweede lid, van de Awb vastgesteld.

Het betoog slaagt niet.

Goede ruimtelijke ordening

6. [appellant A] en [appellante B] betogen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij voeren aan dat het plan hun woon- en leefklimaat aantast. Het bouwvlak in het plan is 2,5 m van de perceelsgrens met hun perceel geplaatst en de woning van [appellant A] en [appellante B] staat op 1 m van de perceelsgrens, zodat de afstand tussen het bouwvlak op het perceel en de woning van [appellant A] en [appellante B] 3,5 m is. Verder ontstaat er volgens [appellant A] en [appellante B] door de maximale bouwhoogte van 10 m en goothoogte van 6,5 m direct uitzicht op hun woning en tuin. Daardoor wordt hun privacy aangetast en is er sprake van een onaanvaardbare vermindering van zonlicht op hun woning. Uit de schaduwstudie van Aelmans van 27 juni 2023 blijkt namelijk dat het plan leidt tot meer schaduwhinder voor hun woning en tuin en een verminderd aantal bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Verder voeren [appellant A] en [appellante B] aan dat de nieuwe woning vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet passend is. Door de positionering van het bouwvlak, op zeer korte afstand van de zijdelingse perceelsgrens en op zeer korte afstand van de woning van [appellant A] en [appellante B], sluit de ligging van de woning niet aan op de afstanden zoals die volgen uit het bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest". De kortste afstand tussen bouwkavels is volgens dit plan namelijk 5,5 m. Bovendien valt niet in te zien waarom de woning niet op een grotere afstand van de woning van [appellant A] en [appellante B] is gepositioneerd.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft toegelicht dat uit de meting op basis van het GML-bestand volgt dat de afstand tussen het bouwvlak en de perceelsgrens van [appellant A] en [appellante B] 2,95 m. Volgens de raad is dit nagenoeg 3 m, welke afstand tot de zijdelingse perceelsgrens voldoende is om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen bij vrijstaande woningbouw. Dat is zeker zo, omdat het gaat om een stedelijke omgeving. Deze ontwikkeling past bij het karakter van de wijk, zo stelt de raad.

6.2. De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere aanduidingen en regels voor gronden vaststellen.

6.3. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1515, overweegt de Afdeling dat geen wettelijke normen bestaan die zien op een minimum aantal zonuren per dag in een woning. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen op dit onderwerp beleidsruimte hebben. Maar dat neemt niet weg dat in het kader van een bestemmingsplan een afweging moet plaatsvinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waaronder het belang van het behoud van voldoende zonlicht

6.4. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant A] en [appellante B]. Daarbij heeft de raad mogen betrekken dat de woning van [appellant A] en [appellante B] in een stedelijke omgeving is gelegen en het plan aansluit bij de bestaande bebouwing in de omgeving en bij de maximale goot- en bouwhoogte van de bestaande bebouwing in de omgeving zoals die geldt op grond van het bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest". Gelet hierop heeft de raad een afstand van 2,95 m tot de zijdelingse perceelsgrens van het perceel van [appellant A] en [appellante B] niet onaanvaardbaar hoeven achten.

Verder heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare vermindering van zonlicht op de woning van [appellant A] en [appellante B]. Ten behoeve van de vaststelling van het plan is een schaduwstudie uitgevoerd. De raad heeft voor het aantal zonuren per dag in een woning in beginsel de zogenoemde lichte TNO-norm als uitgangspunt gehanteerd. Deze norm gaat uit van minimaal twee bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Uit de schaduwstudie van Aelmans van 27 juni 2023 volgt weliswaar dat het aantal bezonningsuren per dag in de periode 19 februari tot en met 21 oktober vermindert op de aangrenzende objecten, waaronder de woning van [appellant A] en [appellante B], maar uit de schaduwstudie volgt ook dat voor de onderzochte objecten en gronden in de directe omgeving wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. Verder is in de schaduwstudie vermeld dat de linkerzijgevel van de woning van [appellant A] en [appellante B], die volgens de schaduwstudie de grootste wijziging zal ondervinden, een blinde gevel is, zonder transparante delen, waarop de lichte TNO-norm niet van toepassing is.

6.5. De raad heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog slaagt niet.

Hemelwaterafvoer

7. [appellant A] en [appellante B] betogen dat het onduidelijk is of het plan leidt tot wateroverlast. Daarover voeren zij aan dat ten aanzien van de hemelwaterafvoer in de nota van zienswijze niet wordt ingegaan op de compensatie van de toename van de verharding, ook in relatie tot een gepland nieuwbouwproject aan de overkant van de Kapperdoesweg en de (maximale) capaciteit van de infiltratievoorziening.

7.1. Volgens de raad is de bouw van alleen één woning die met het plan mogelijk wordt gemaakt, van zo weinig betekenis voor de waterhuishoudkundige situatie dat er geen problemen worden verwacht met betrekking tot de afvoer van hemelwater. Dit geldt volgens de raad voor zowel de afvoer van hemelwater op het eigen terrein als voor de afvoer van hemelwater in extreme situaties. Uit de uitsnede van het lokale hydrologisch model van Waterschap de Dommel volgt dat er geen overstroming te verwachten is vanuit de A-watergang bij zeer extreem weer rondom de Kapperdoesweg, zo stelt de raad.

7.2. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het plan niet leidt tot wateroverlast. Daarbij heeft de raad mogen betrekken dat het plan de bouw van één vrijstaande woning mogelijk maakt. Verder heeft de raad zich daarbij gebaseerd op de uitsnede van het lokale hydrologisch model van Waterschap de Dommel, waaruit volgt dat er geen overstroming te verwachten is vanuit de A-watergang bij zeer extreem weer rondom de Kapperdoesweg. De raad heeft in de nota van zienswijzen toegelicht dat als uitgangspunt geldt dat het hemelwater op eigen terrein wordt geborgd, zodat er geen water van het perceel hoeft te worden afgevoerd. Als wel afvoer noodzakelijk is, dan zal dat geschieden op de waterpartij langs de Kapperdoesweg en de daarop aangesloten waterpartijen die daarvoor ook voldoende bergingscapaciteit hebben. Verder heeft de raad toegelicht dat het betreffende nieuwbouwproject hydrologisch neutraal ontwikkeld moet worden, zodat hiervan geen negatief effect op de A-watergang wordt verwacht. De Afdeling ziet in wat [appellant A] en [appellante B] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot wateroverlast.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.

9. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Gundelach

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Nales

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025

680-1150