Raad van State, 18-02-2026, ECLI:NL:RVS:2026:854, 202600087/2/A2
Raad van State, 18-02-2026, ECLI:NL:RVS:2026:854, 202600087/2/A2
Gegevens
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 18 februari 2026
- Datum publicatie
- 18 februari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:854
- Zaaknummer
- 202600087/2/A2
Inhoudsindicatie
Bij beslissing van 7 augustus 2025 heeft de examencommissie Computational Social Science van de UvA het verzoek van [verzoekster] om een extra herkansing van een opdracht van een vak, afgewezen. Bij beslissing van 12 december 2025 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam het administratief beroep ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft [verzoekster] beroep ingesteld.
Uitspraak
202600087/2/A2.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], wonend in [woonplaats],
verzoekster,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 7 augustus 2025 heeft de examencommissie Computational Social Science van de UvA het verzoek van [verzoekster] om een extra herkansing van een opdracht van een vak, afgewezen.
Tegen deze beslissing heeft [verzoekster] administratief beroep ingesteld.
Bij beslissing van 12 december 2025 heeft het CBE het administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [verzoekster] beroep ingesteld.
[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoekster] heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 februari 2026, waar [verzoekster], bijgestaan door mr. A. Hussaini, advocaat in Amsterdam, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. E.A. Jousma, vergezeld van dr. D. Gerritsen namens de examencommissie, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Bij uitspraak van vandaag in zaak nr. 202600087/1/A2, ECLI:NL:RVS:2026:853, heeft de Afdeling het beroep van [verzoekster] gegrond verklaard en daarbij een voorlopige voorziening getroffen. Er is dus geen sprake meer van een geding. Daarom bestaat voor de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
2. Het verzoek wordt afgewezen.
3. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
4. De voorzieningenrechter zal bepalen dat het CBE het door [verzoekster] betaalde griffierecht ten bedrage van € 54,00 voor de behandeling van het verzoek vergoedt.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. gelast dat het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam het door [verzoekster] voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 54,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.
w.g. Daalder
voorzieningenrechter
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
1100