Home

ECLI:NL:TNORARL:2025:25 Kamer voor het notariaat 18-07-2025 C/05/432062 KL RK 24-21C/05/432080 KL RK 24-22C/05/432082 KL RK 24-23

ECLI:NL:TNORARL:2025:25 Kamer voor het notariaat 18-07-2025 C/05/432062 KL RK 24-21C/05/432080 KL RK 24-22C/05/432082 KL RK 24-23

Gegevens

Instantie
Kamer voor het notariaat
Datum uitspraak
18 juli 2025
Datum publicatie
5 augustus 2025
ECLI
ECLI:NL:TNORARL:2025:25
Zaaknummer
C/05/432062 KL RK 24-21

Inhoudsindicatie

Klaagster heeft vragen gesteld over de wilsbekwaamheid van haar vader bij het wijzigen van zijn levenstestament. De kamer is van oordeel dat de notaris zich onvoldoende heeft verantwoord over de wijze waarop het levenstestament van de vader van klaagster tot stand is gekomen. Hij heeft onvoldoende concrete informatie verstrekt en zich, door niet te verschijnen op de mondelinge behandeling, onttrokken aan de mogelijkheid voor de kamer om hem hierover te bevragen. De kamer vindt dat de notaris onvoldoende blijk heeft gegeven van een professionele houding zoals die van een notaris in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht. Het tuchtrecht is een onlosmakelijk onderdeel van het uitoefenen van het ambt van notaris en van de notaris mag worden verwacht dat hij zich op professionele en zakelijke wijze verantwoordt over een klacht.

Uitspraak

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk: C/05/432082 / KL RK 24-21, 24-22 en 24-23

beslissing van de kamer voor het notariaat

op de klacht van

[naam klaagster],

wonende te [plaats],

klaagster,

tegen

mr. [A],

notaris te [plaats],

mr. [B],

gedefungeerd notaris te [plaats],

mr. [C],

notaris te plaats].

Klaagster en [A] worden hierna respectievelijk klaagster en de notaris genoemd.

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de (tussen)uitspraak van 13 december 2024 (hierna: de tussenuitspraak);

  • het e-mailbericht van mr. [C]van 20 januari 2025;

  • het e-mailbericht van de kamer aan mr. [C] en mr. [A] van 23 januari 2023;

  • het e-mailbericht van mr. [C] van 23 januari 2025;

  • het e-mailbericht van klaagster van 10 februari 2025 met bijlagen;

  • het e-mailbericht van mr. [C] van 25 februari 2025;

  • het e-mailbericht van klaagster van 24 mei 2025 met bijlage.

1.2. De voortgezette behandeling van de klachtzaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 6 juni 2025, waarbij klaagster is verschenen. Mr. [C] heeft zichzelf (met opgaaf van redenen) en de notaris (zonder opgaaf van redenen) afgemeld voor de zitting. Mr. [B] is niet opgeroepen voor de voortgezette mondelinge behandeling.

2.1. In de eerste plaats overweegt de kamer dat de beoordeling van de klacht bij de kamer zich beperkt tot de vraag of de notaris bij het wijzigen van het levenstestament de wilsbekwaamheid van de vader van klaagster voldoende heeft getoetst. De overige door klaagster geformuleerde verzoeken lenen zich volgens de Wna niet voor een beoordeling door de kamer.

2.2. In de loop van de procedure is duidelijk geworden dat de notaris degene is geweest die het nieuwe levenstestament van de vader van klaagster heeft gepasseerd. Daartoe is van belang dat mr. [B], in antwoord op de ontvangst van het klaagschrift, de kamer op 18 maart 2024 heeft laten weten dat voorafgaand aan zijn defungeren1, in 2022 al niet meer actief praktiserend was en geen weet heeft van het dossier. Om die reden is mr. [B] ook niet opgeroepen voor de voortgezette behandeling op 6 juni 2025. Ook mr. [C] heeft in het hiervoor genoemde e-mailbericht van 23 januari 2025 meegedeeld dat de contacten en besprekingen met de vader van klaagster alleen met de notaris hebben plaatsgevonden.

2.3. De kamer gaat er, gelet op de verklaringen van mr. [B] en mr. [C], vanuit dat mr. [B] en mr. [C] geen bemoeienis hebben gehad bij de totstandkoming van het levenstestament van de vader van klaagster. Dit is ook in lijn met hetgeen is overwogen in r.o. 4.12. van de tussenuitspraak van 13 december 2024. De kamer zal daarom de klacht tegen mrs. [B] en [C] niet-ontvankelijk verklaren.

2.4. Het notariskantoor [naam notariskantoor] te [plaats], waaraan mr. [B], mr. [C] en de notaris verbonden zijn, wilde wel aan klaagster bevestigen dat het nieuwe levenstestament van haar vader op hun kantoor was gepasseerd, maar wilde geen informatie verstrekken over welke notaris daarbij betrokken was geweest. Klaagster heeft daarom de klacht tegen zowel mr. [B], mr. [C] als de notaris moeten richten. Gevolg hiervan is dat zij drie maal griffierechten ad € 50 heeft moeten betalen.

2.5. De notaris was destijds kandidaat-notaris, waarnemer van het protocol van mr. [B]. In die hoedanigheid had hij aan klaagster duidelijk moeten maken dat hij degene was tot wie klaagster zich moest richten. Dat heeft hij niet gedaan; hij heeft klaagster in het ongewisse gelaten. De kamer zal daarom bepalen dat de notaris de griffierechten met betrekking tot de klachten tegen mrs. [B] en [C] aan klaagster moet vergoeden, op de wijze en binnen de termijn als hierna onder 2.20 bepaald.

2.6. Het voorgaande betekent dat de klacht ten aanzien de notaris dient te worden beoordeeld. Daartoe heeft de kamer bij voormelde tussenuitspraak de notaris in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na 13 december 2024 de vragen van klaagster over de gang van zaken die geleid heeft tot het tot stand komen van het op 23 mei 2022 gepasseerde levenstestament van haar vader en de toetsing van zijn wilsbekwaamheid te beantwoorden.

2.7. De kamer constateert dat de notaris na de tussenuitspraak op geen enkel moment zelf een reactie naar de kamer heeft gestuurd. Het e-mailbericht van 20 januari 2025 waarin informatie wordt verschaft over de wijze van totstandkoming van het levenstestament van de vader van klaagster is geformuleerd in de ‘wij-vorm’. Nadat de kamer onder meer heeft gevraagd om te verduidelijken waarom mr. [C] heeft gereageerd, heeft mr. [C] de kamer per e-mailbericht van 23 januari 2025 onder meer bericht dat de zaak (emotioneel) de nodige impact heeft op de notaris en dat hij daarom heeft gereageerd. De kamer gaat er daarom vanuit dat de reactie van 20 januari 2025 in samenspraak met de notaris tot stand is gekomen.

2.8. In het e-mailbericht van 20 januari 2025 informatie is over de wijze van totstandkoming van het levenstestament van de vader van klaagster, het volgende vermeld:

“Op 22 februari 2022 heeft er een uitvoerige bespreking op ons kantoor plaatsgevonden van circa een uur. Daar was alleen de heer [naam vader] (vader van klaagster, hierna ook te noemen: “client”) aanwezig. Hij wilde advies omtrent de afwikkeling van de nalatenschap van wijlen zijn echtgenote en hij wilde per direct zijn levenstestament, om hem moverende en prangende redenen, wijzigen. Cliënt is nadrukkelijk geadviseerd om geen overhaaste beslissingen te nemen, en dat het raadzaam is om eerst te reflecteren alvorens een besluit hieromtrent te nemen.

In navolging op gemeld gesprek heeft cliënt op 11 april 2022 opnieuw zelfstandig contact opgenomen met ons kantoor. Cliënt persisteerde (wederom) op het wijzigen van zijn levenstestament. Op 23 mei 2022 heeft cliënt, na zorgvuldig overleg en gevoerde correspondentie per e-mail op 12 en 17 mei 2022, het aangepaste levenstestament ondertekend. De akte was volledig afgestemd op zijn wensen en verwachtingen. Alleen cliënt en de heer [A] waren bij het ondertekenen aanwezig. Cliënt verliet ons kantoor met een afschrift van de akte. Het aangepaste levenstestament is het resultaat van zijn eigen en weloverwogen wens en overtuiging.

Uit de contacten met cliënt, zowel tijdens de gesprekken als in de e-mailcorrespondentie, kon niet anders dan geconcludeerd worden dat hij volledig wilsbekwaam was; er was geen enkele aanleiding om hieraan te twijfelen. Cliënt was scherp van geest en volledig in staat zijn eigen belangen en wensen te begrijpen en uit te dragen. Er was geen enkele reden om aan zijn compos mentis te twijfelen. Zou er ook maar enige twijfel of aanleiding zijn geweest, dan zou er direct een onafhankelijke arts, zoals een geriater, ingeschakeld worden.”

2.9. Bij de kamer bestaan er na het verstrekken van deze informatie nog steeds onduidelijkheden. De informatie die is verstrekt, is zeer beknopt en op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien heeft de informatie nieuwe vragen opgeworpen. De kamer had deze onduidelijkheden aan de notaris willen voorleggen, maar de notaris heeft zich daaraan onttrokken door niet te verschijnen op de mondelinge behandeling. De kamer geeft een aantal voorbeelden van de onduidelijkheden.

2.10. Tijdens de eerste mondelinge behandeling op 7 oktober 2024 heeft de notaris opgemerkt dat “het is niet voor niets dat het zo snel is gegaan.” De vraag die vervolgens opkomt, is waarom het zo snel moest gaan. Temeer nu in het e-mailbericht van 20 januari 2025 vermeld staat dat de notaris de vader van klaagster juist heeft geadviseerd om geen overhaaste beslissingen te nemen en goed te reflecteren.

2.11. Wat ook onduidelijk is, is dat in de van de zijde van de notaris verstrekte informatie vermeld staat dat de vader van klaagster alleen bij de bespreking op 22 februari 2022 op het kantoor van de notaris is gekomen, terwijl uit het door klaagster overgelegde e-mailbericht van haar zus [naam] van 1 maart 2022 lijkt te volgen dat de zus van klaagster hierbij aanwezig is geweest. In laatstgenoemd e-mailbericht heeft de zus van klaagster haar aantekeningen van de bespreking op 22 februari 2022 op het kantoor van de notaris gedeeld met klaagster en haar (half)broer [naam]. De kamer had een nadere toelichting willen krijgen van de notaris over de gang van zaken op 22 februari 2022.

2.12. In het e-mailbericht van 20 januari 2025 staat weliswaar dat het volgens de notaris geen twijfel lijdt dat de vader van klaagster wilsbekwaam was, maar vermeld staat niet waar dat uit blijkt en hoe dat is getoetst. Gelet op het feit dat de klacht zich met name richt op de volgens klaagster vermeende wilsonbekwaamheid van haar vader, mag van de notaris verwacht worden dat hij juist dit nader toelicht.

2.13. De notaris heeft dus onvoldoende concrete informatie verstrekt en zich, door niet te verschijnen op de mondelinge behandeling, onttrokken aan de mogelijkheid voor de kamer om hem hierover te bevragen. Gelet hierop is de kamer van oordeel dat de notaris zich onvoldoende heeft verantwoord over de wijze waarop het levenstestament van de vader van klaagster tot stand is gekomen. Dat betekent dat de kamer de klacht gegrond verklaart.

2.14. De kamer overweegt ten aanzien van het opleggen van een maatregel als volgt. De kamer vindt dat de notaris onvoldoende blijk heeft gegeven van een professionele houding zoals die van een notaris in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht. Dat leidt de kamer af uit het feit dat er een tussenuitspraak nodig was om de notaris te wijzen op de reikwijdte van de geheimhoudingsplicht, terwijl hierover in de jurisprudentie geen enkele twijfel bestaat. De vragen van klaagster betroffen, voor zover de kamer uit de voorliggende informatie kan afleiden, geen bijzondere situatie op grond waarvan de notaris zich op zijn geheimhoudingsplicht mocht beroepen. Vervolgens geeft de notaris na de tussenuitspraak dermate summiere informatie en zonder enige onderbouwing, dat er geen helderheid is ontstaan en er nieuwe vragen zijn gerezen. De kamer kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de notaris contrecoeur heeft voldaan aan hetgeen in de tussenuitspraak is bepaald.

2.15. Ook de proceshouding van de notaris acht de kamer niet professioneel. Nadat mr. [C] op 3 juni 2025 de kamer heeft gevraagd wie er op 6 juni 2025 aanwezig dienen te zijn bij de mondelinge behandeling op 6 juni 2025, heeft de kamer op 4 juni 2025 meegedeeld dat zij de notaris verwacht tijdens de mondelinge behandeling. Hierna heeft mr. [C] diezelfde dag meegedeeld dat het de bedoeling is dat hij als gevolmachtigde van de notaris verschijnt tijdens de voortgezette mondelinge behandeling en dat hij vanwege het offerfeest verhinderd is op 6 juni 2025. Op 5 juni 2025 heeft de kamer vervolgens zonder opgave van redenen bericht ontvangen dat (ook) de notaris verhinderd is op 6 juni 2025. De kamer acht een dergelijke gang van zaken onbehoorlijk, temeer nu reeds vanaf 13 februari 2025 de zittingsdatum van 6 juni 2025 bekend was.

2.16. Het moge zo zijn dat de klacht de nodige impact heeft op de notaris zoals is verwoord in het e-mailbericht van 23 januari 20025 van mr. [C], het tuchtrecht is wel een onlosmakelijk onderdeel van het uitoefenen van het ambt van notaris. Van de notaris mag worden verwacht dat hij zich op professionele en zakelijke wijze verantwoordt over een klacht. De kamer neemt het de notaris kwalijk dat hij dat onvoldoende doet en daarmee de rol van het tuchtrecht in het maatschappelijk verkeer miskent. Hij geeft er bovendien geen blijk van dat hij de emotionele impact erkent die de klacht ook op klaagster heeft.

2.17. Gelet op al het voorgaande acht de kamer het opleggen van een maatregel geïndiceerd en vindt de maatregel van berisping passend en geboden.

2.18. Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, dient de notaris het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,00 op grond van artikel 99 lid 5 Wna aan haar te vergoeden.

2.19. Nu de kamer de klacht tegen de notaris gegrond verklaart en de notaris tevens een maatregel oplegt, zal de kamer de notaris op grond van artikel 103b lid 1 Wna en de (tijdelijke) richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat (Staatscourant 2020, nr. 67893), veroordelen in de kosten van klaagster, forfaitair vastgesteld op € 50,00.

2.20. De kamer bepaalt dat de notaris voornoemde bedragen, alsmede de griffierechten met betrekking tot klachten tegen mrs. [B] en [C] zoals hiervoor vermeld in r.o. 2.5., binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klaagster moet betalen. Klaagster dient daarvoor tijdig schriftelijk haar rekeningnummer aan de notaris door te geven.

2.21. Verder ziet de kamer aanleiding om de notaris, op grond van artikel 103b lid 1 Wna jo. de richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67893), te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak door de kamer zijn gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op € 2.000,00 (wegingsfactor 1). De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de kamer moeten worden betaald. De notaris ontvangt hiervoor nota van het LDCR te Utrecht.

3.1. De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden:

  • verklaart de klacht tegen mrs. [B] en [C] niet-ontvankelijk;

  • verklaart de klacht tegen de notaris gegrond;

  • legt de notaris de maatregel van berisping op;

  • bepaalt dat de notaris gehouden is het griffierecht van in totaal € 150,00 aan klaagster te vergoeden op de wijze en binnen de termijn als hiervoor onder 2.20 bepaald;

  • veroordeelt de notaris tot betaling van de kosten van klaagster, forfaitair vastgesteld op € 50,00, te betalen op de wijze en binnen de termijn als hiervoor onder 2.20 bepaald;

  • bepaalt dat mr. [A] gehouden is de kosten voor behandeling van deze zaak van € 2.000,00 te betalen op de wijze en binnen de termijn als hiervoor onder 2.21 bepaald.

0border-collapse:collapse; width:558px
3

Deze beslissing is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers, voorzitter, mr. C.G. Zijerveld, mr. A.J.H.M. Janssen, leden, en in tegenwoordigheid van mr. C. van Schelven, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2025.

De secretaris

de voorzitter

3

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.