FBN 2012/36 - WBR + Wet OB: grondbewerking vóór oplevering leidde tot een bouwterrein
Aflevering 5, gepubliceerd op 01-05-2012 Een ondernemer heeft een onroerende zaak verkocht aan een projectontwikkelaar. Hierbij is afgesproken dat de verkoper de nog aanwezige opstallen voor eigen rekening zou (doen) slopen tot en met de funderingen. Ten tijde van de juridische levering van de onroerende zaak waren de sloopwerkzaamheden waartoe de verkoper opdracht had gegeven nog niet voor het gehele terrein afgerond. Het hof had geoordeeld dat er geen bouwterrein in de zin van artikel 11, lid 4 Wet OB is geleverd nu bij de levering nog funderingen en een kelder, ofwel ‘oude’ gebouwen aanwezig waren (zie Notafax 2008, nr. 134). Op 10 juni 2011 heeft de Hoge Raad deze uitspraak vernietigd. Volgens de Hoge Raad had de overeenkomst tussen partijen, waarbij de verkoper voor de sloop van de oude gebouwen instond, niet de levering van bestaande gebouwen maar de levering van onbebouwde grond tot onderwerp. Blijkens HvJ EG 19 november 2009 (Notafax 2009, nr. 275) is in dat geval voor het antwoord op de vraag of sprake is van een levering van een bouwterrein niet van belang hoe ver de sloop van de oude gebouwen ten tijde van de levering was gevorderd, maar is beslissend de staat waarin en de omstandigheden waaronder het terrein uiteindelijk door de verkoper aan de koper is opgeleverd. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Den Haag dat moet uitzoeken of het na de sloop van de bestaande gebouwen opgeleverde terrein door de verkoper aan de koper kwalificeert als een bouwterrein ex artikel 11, lid 4 Wet OB.