Home

Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren

Geldig van 1 januari 2017 tot 1 juli 2018
Geldig van 1 januari 2017 tot 1 juli 2018

Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 01-01-2017 tot 01-07-2018]

Aanhef

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken van 8 december 1993, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 415284/93/6 en nr. EA 93/U 3630, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, nr. CWW 85/008;

Gelet op artikel 9 van de Politiewet 1993;

De Raad van State gehoord (advies van 28 maart 1994, nr. W.O. 3.93.0838);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 7 april 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 433019/94/6, nr. EA 94/U1149, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Defensie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1

1.

In dit besluit wordt verstaan onder ambtenaar:

  1. de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onder a, c en d, van de Politiewet 2012;

  2. de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012 voor zover het betreft de artikelen 1 en 2, hoofdstuk 5; In hoofdstuk 6 van dit besluit wordt onder ambtenaar mede verstaan de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012, dan wel een andere persoon, voor zover die ambtenaar van politie of die persoon tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is en door de korpschef is belast met de verzorging van ingeslotenen.

  3. degene die is benoemd tot adspirant voor de duur dat hij de praktijkstage volgt;

  4. de militair van de Koninklijke marechaussee in de uitvoering van de politietaken, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Politiewet 2012;

  5. de militair van de krijgsmacht, bedoeld in artikel 58, eerste lid, en artikel 59 van de Politiewet 2012.

2.

In dit besluit wordt verstaan onder meerdere:

  1. de ambtenaar die uit hoofde van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met de leiding is belast of het bevel heeft over de taakuitvoering;

  2. indien op grond van het bepaalde onder a, geen meerdere kan worden aangewezen de ambtenaar van politie die een hogere rang heeft of, bij gelijkheid in rang, degene met de meeste dienstjaren, dan wel bij optreden door militairen van de Koninklijke marechaussee of van enig ander krijgsmachtonderdeel degene die ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 67 van het Wetboek van Militair Strafrecht de meerdere is.

3.

In dit besluit wordt verstaan onder:

  1. bevoegd gezag: het gezag, bedoeld in de artikelen 11, 12 en 14 van de Politiewet 2012;

  2. geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken;

  3. aanwenden van geweld: het gebruiken van geweld en het dreigen met geweld, waaronder wordt begrepen het ter hand nemen van een vuurwapen;

  4. geweldmiddel:

    1. 1°.

      de krachtens artikel 22 van de Politiewet 2012 toegelaten uitrusting en bewapening waarmee geweld kan worden uitgeoefend, en.

    2. 2°.

      de door Onze Minister van Defensie ter beschikking gestelde uitrusting en bewapening waarmee geweld kan worden uitgeoefend in de uitvoering van de politietaken, bedoeld in de artikelen 4, 57, 58 en 59 van de Politiewet 2012;

  5. hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting:

    1. 1º.

      de krachtens artikel 22 van de Politiewet 2012, aan de ambtenaar van politie, bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, ter beschikking gestelde uitrusting ten behoeve van de uitzetting van vreemdelingen, en

    2. 2º.

      de door Onze Minister van Defensie, in overeenstemming met Onze Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, aan de ambtenaar van de Koninklijke marechaussee, bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, ter beschikking gestelde uitrusting ten behoeve van de uitzetting van vreemdelingen;

  6. vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven: vuurwapen waarmee met één druk op het afvuurmechanisme meer schoten kunnen worden gelost dan wel een vuurwapen waarmee naar keus hetzij één schot, hetzij meer schoten kunnen worden gelost;

  7. de arts: de dienstdoend adviserend arts;

  8. buitengewoon opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering;

  9. het gebruik van een vuurwapen: het richten, het gericht houden en het daadwerkelijk gebruik van een vuurwapen;

  10. niet-penetrerende munitie: munitie die is ontworpen om bij het treffen van een persoon niet het lichaam binnen te dringen;

  11. AOT-hond: hond in eigendom van de politie met als doel in politiedienst te worden ingezet bij het optreden van een aanhouding en ondersteuningsteam als bedoeld in artikel 11, onder a, van het Besluit beheer politie of een bijstandseenheid als bedoeld in artikel 59 van de Politiewet 2012;

  12. ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst: ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst die is aangesteld voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.

4.

In dit besluit wordt onder ingeslotene verstaan degene die rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Onder ingeslotene wordt mede verstaan degene die ten behoeve van de hulpverlening aan hem op het politie- of brigadebureau is ondergebracht.

Artikel 2

De ambtenaar legitimeert zich met het legitimatiebewijs dat aan hem is verstrekt:

  1. bij optreden in burgerkleding ongevraagd, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken, en

  2. bij optreden in uniform, op verzoek daartoe.

Artikel 3

Hoofdstuk 2. Geweld

§ 1. Algemeen

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

§ 2. Vuurwapens

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 10a

§ 2a. Niet-penetrerende munitie

Artikel 11

Artikel 11a

Artikel 11b

Artikel 11c

§ 2b. Pepperspray

Artikel 12a

Artikel 12b

Artikel 12c

§ 3. Overige geweldmiddelen

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 16

§ 4. Melding geweld

Artikel 17

Artikel 18 [Vervallen per 31-08-2001]

Artikel 19

Hoofdstuk 3. Veiligheidsfouillering

Artikel 20

Artikel 21

Hoofdstuk 4. Handboeien

Artikel 22

Artikel 23

Hoofdstuk 4a. Hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting van vreemdelingen

Artikel 23a

Artikel 23b

Hoofdstuk 5. Hulpverlening

Artikel 24

Artikel 25

Hoofdstuk 6. Maatregelen jegens ingeslotenen

§ 1. Algemeen

Artikel 26

Artikel 27

§ 2. In bewaring nemen van kleding en voorwerpen

Artikel 28

Artikel 29

Artikel 30

§ 3. Permanente camera-observatie

Artikel 31

§ 4. Medische bijstand

Artikel 32

Artikel 33

Artikel 34

Artikel 35

§ 5. Invrijheidstelling

Artikel 36

Hoofdstuk 6a. Ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst

Artikel 36a

Artikel 36b

Hoofdstuk 7. Buitengewoon opsporingsambtenaar

Artikel 37

Artikel 38

Artikel 39

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 39a

Artikel 40

Artikel 41