Home

Besluit definitiebepalingen Wft

Geldig vanaf 1 januari 2012
Geldig vanaf 1 januari 2012

Besluit definitiebepalingen Wft

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 01-01-2012]

Aanhef

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 26 juni 2006, nr. FM 2006-01571 M;

Gelet op artikel 1 van richtlijn nr. 87/102/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PbEG L 42), artikel 2 van richtlijn nr. 2003/71/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG (PbEU L 345) en artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;

De Raad van State gehoord (advies van 20 juli 2006, nr. W06.06.0267/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 9 oktober 2006, nr. FM 2006-01837 U;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  1. wet: Wet op het financieel toezicht;

  2. afgeleide instrumenten voor de overdracht van kredietrisico: financiële instrumenten als bedoeld in Bijlage I, Deel C, onderdeel 8 van richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145).

Artikel 2

Als beleggingsobject in de zin van onderdeel b van de definitie van beleggingsobject in artikel 1:1 van de wet wordt aangewezen een deelneming in een personenvennootschap door middel waarvan wordt geïnvesteerd in een speelfilm, niet zijnde een financieel product als bedoeld in de onderdelen b tot en met h van de definitie van financieel product in artikel 1:1 van de wet, bij welke verkrijging aan de houder van de deelneming een rendement in geld of een gedeelte van de opbrengst van de speelfilm in het vooruitzicht wordt gesteld en waarbij de personenvennootschap hoofdzakelijk wordt gedreven door een ander dan de houder van de deelneming.

Artikel 3

1.

Als professionele marktpartij in de zin van onderdeel c van de definitie van professionele marktpartij in artikel 1:1 van de wet worden aangewezen:

  1. rechtspersonen of vennootschappen waarvan het balanstotaal voorafgaand aan het ter beschikking stellen van de opvorderbare gelden € 500.000.000 of meer bedraagt;

  2. personen of vennootschappen met een netto eigen vermogen dat voorafgaand aan het ter beschikking stellen van de opvorderbare gelden € 10.000.000 of meer bedraagt en die ten minste gedurende twee aaneengesloten jaren voorafgaand aan het ter beschikking stellen van de opvorderbare gelden, gemiddeld twee keer per maand actief zijn geweest op de financiële markten;

  3. rechtspersonen of vennootschappen die een waardering hebben van een naar het oordeel van de Nederlandsche Bank deskundige kredietbeoordelaar of die effecten uitgeven dan wel opvorderbare gelden aantrekken op grond van overeenkomsten van geldlening die zijn voorzien van een waardering van een naar het oordeel van de Nederlandsche Bank deskundige kredietbeoordelaar;

  4. rechtspersonen of vennootschappen die speciaal zijn opgericht:

    1. 1°.

      voor het verrichten van transacties ter verkrijging van vorderingen die strekken tot zekerheid van aangeboden of aan te bieden effecten;

    2. 2°.

      voor het verrichten van transacties ter belegging in subparticipaties of afgeleide instrumenten voor de overdracht van kredietrisico die kunnen worden afgewikkeld door de vorderingen aan hen over te dragen, waarbij de rechten die voor hen voortvloeien uit de subparticipaties of uit de afgeleide instrumenten strekken tot zekerheid van aangeboden of aan te bieden effecten; of

    3. 3°.

      om kredietuitzettingen te verrichten ten behoeve van uitsluitend een of meer professionele marktpartijen als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel a of b, van de wet.

2.

Personen of vennootschappen van wie opvorderbare gelden worden aangetrokken, ter beschikking worden verkregen of ter beschikking worden gehouden, worden in hun rechtsverhouding tot degene die de opvorderbare gelden aantrekt, ter beschikking verkrijgt onderscheidenlijk ter beschikking heeft, aangewezen als professionele marktpartij in de zin van onderdeel c van de definitie van professionele marktpartij in artikel 1:1 van de wet, indien:

  1. de nominale waarde van de eerste vordering dan wel van de eerste gezamenlijk verworven vorderingen tezamen, binnen deze rechtsverhouding ten minste € 100.000 bedraagt en dit bedrag ineens wordt verstrekt; of

  2. de eerste vordering dan wel de eerste gezamenlijk verworven vorderingen tezamen, binnen deze rechtsverhouding slechts kunnen worden dan wel zijn verworven voor een bedrag van ten minste € 100.000 ineens.

3.

Op overeenkomsten betreffende het aantrekken, het ter beschikking verkrijgen of het ter beschikking hebben van opvorderbare gelden die zijn aangegaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel A, van het Wijzigingsbesluit financiële markten 2012, blijft het tweede lid, zoals dat onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip luidde, van toepassing.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2012]

Artikel 5

Artikel 6