College van Beroep voor het bedrijfsleven, 21-03-2017, ECLI:NL:CBB:2017:101, 16/698
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 21-03-2017, ECLI:NL:CBB:2017:101, 16/698
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 21 maart 2017
- Datum publicatie
- 30 maart 2017
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2017:101
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:4797, Overig
- Zaaknummer
- 16/698
Inhoudsindicatie
Hoger beroep Tabakswet ongegrond. Het College ziet geen aanleiding voor de conclusie dat het proces-verbaal niet aan het boetebesluit ten grondslag kan worden gelegd. Het College ziet verder niet in dat de wijze waarop de toezichthouders in dit geval gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid (door anoniem de horeca-inrichting van appellanten te bezoeken), vanwege de doeltreffendheid van het onderzoek naar de naleving van de Tabakswet ontoelaatbaar zou zijn. De minister heeft voorts terecht zich op het standpunt gesteld te kunnen afzien van horen van appellanten in bezwaar (met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb).
Uitspraak
uitspraak
zaaknummers: 16/698
11100
[naam 2] ,
[naam 3] ,
[naam 4] , en
[naam 5] ,
allen te [plaats] ,
appellanten (gemachtigde: mr. L.J. van Langevelde),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2016, kenmerk ROT 15/1522, in het geding tussen
appellanten
(gemachtigde: mr. I.L. de Graaf).
Procesverloop in hoger beroep
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 27 juni 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:4797).
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens is aan de zijde van appellanten verschenen [naam 2] .
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Op 9 oktober 2014 hebben twee inspecteurs van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), tevens toezichthouders in de zin van artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het door de VOF, althans haar vennoten gedreven café aan de [adres] te [plaats] (de horeca-inrichting) bezocht. Het naar aanleiding van dit inspectiebezoek door een van de betreffende toezichthouders op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van 30 oktober 2014, vermeldt onder meer het volgende:
“Bij binnenkomst in het voor het publiek toegankelijke deel van deze horeca-inrichting zag ik de voor tabaksproducten typerende blauwachtige rook en rook ik ook de typische, penetrante geur van tabaksrook. Ik zag dat de rook en de geur afkomstig waren van sigaretten die op dat moment gerookt werden. Ik zag dat een man en een vrouw aan de bar een sigaret rookten.
Sigaretten zijn een tabaksproduct zoals bedoeld in artikel 1, onder a, van de Tabakswet. Op de bar zag ik diverse asbakken staan gevuld met as en sigarettenpeuken. Ik zag ook dat de vrouw achter de bar de rokende personen kon zien roken. Ik hoorde dat zij hen niet aansprak op het feit dat zij rookten. Daarnaast zag en hoorde ik dat zij hen ook niet probeerde te bewegen het roken te staken.”
De toezichthouders hebben zich tijdens hun aanwezigheid in de horeca-inrichting niet als zodanig bekend gemaakt.
Bij besluit van 28 november 2014 (het primaire besluit) heeft de minister, nadat hij hieromtrent reeds het voornemen had geuit, op grond van de bevindingen zoals die blijken uit het proces-verbaal van 30 oktober 2014 aan de VOF een boete van € 1.200,- opgelegd wegens overtreding van de in artikel 11a, vierde lid, van de Tabakswet neergelegde verplichting om in de voor het publiek toegankelijke delen van de horeca-inrichting waarover de VOF het beheer had, een rookverbod in te stellen, aan te duiden en te handhaven. Daarbij heeft de minister in aanmerking genomen dat de op 9 oktober 2014 geconstateerde overtreding is gevolgd binnen twee jaar na het onherroepelijk zijn geworden van een eerder opgelegde bestuurlijke boete voor een soortgelijke overtreding.
Bij zijn besluit van 22 januari 2015 (het bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van appellanten tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen. Voor de minister staat vast dat de in het primaire besluit genoemde overtreding is begaan. Deze overtreding is beboetbaar op grond van artikel 11b van de Tabakswet. Aangezien er volgens de minister redelijkerwijs geen twijfel over bestaat dat de door appellanten naar voren gebrachte bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit, heeft de minister ervan afgezien appellanten te horen.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep van appellanten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.
Op grond van vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 7 maart 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BW0651) kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen worden afgezien wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaargronden ongegrond zijn, er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie en niet verwacht kan worden dat het horen nog van belang is voor het vaststellen van feiten en omstandigheden die op de beslissing van invloed zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval aan die maatstaf voldaan, nu appellanten in bezwaar louter formeel juridische gronden naar voren hebben gebracht en de geconstateerde overtreding niet hebben betwist.
Voorts oordeelt de rechtbank dat het tijdsverloop van drie weken tussen de gestelde overtreding op 9 oktober 2014 en vastlegging in het proces-verbaal van 30 oktober 2014 geen aanleiding vormt voor het oordeel dat verweerder het proces-verbaal buiten beschouwing had moeten laten. Een tijdsverloop van drie weken is niet onevenredig lang te noemen. Voor zover appellanten hebben beoogd te stellen dat zij door het tijdsverloop zijn benadeeld omdat het daardoor niet goed meer mogelijk was om verweer te voeren, volgt de rechtbank dat niet, reeds omdat de gestelde overtreding op 10 oktober 2014, dus een dag na het inspectiebezoek, aan appellanten, althans aan [naam 4] is gemeld.
In de omstandigheid dat de toezichthouders zich op 9 oktober 2014 niet kenbaar hebben gemaakt en zich niet hebben gelegitimeerd, ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat het proces-verbaal van 30 oktober 2014 niet aan de boeteoplegging ten grondslag kan worden gelegd. Uit artikel 5:12, tweede lid, van de Awb volgt dat een toezichthouder zich op verzoek moet legitimeren, maar niet dat een toezichthouder zich steeds bekend moet maken. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van het College van 12 september 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:166). In de gestelde omstandigheid dat de opsteller van het proces-verbaal van 30 oktober 2014 anoniem is, ziet de rechtbank evenmin grond voor het oordeel dat niet van de juistheid hiervan kan worden uitgegaan, omdat - zoals ter zitting is toegelicht door de gemachtigde van de minister - het nummer in het proces-verbaal is te herleiden tot een naam en zo alsnog kan worden nagegaan wie het proces-verbaal heeft opgesteld.
Nu de overtreding van artikel 11a, vierde lid, van de Tabakswet door appellanten vaststaat, concludeert de rechtbank dat verweerder bevoegd was om hun wegens deze (herhaalde) overtreding een boete op te leggen van € 1.200,-. Appellanten hebben niet weersproken dat sprake is van recidive. Evenmin hebben zij feiten en omstandigheden gesteld die nopen tot matiging van de boete op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb.