College van Beroep voor het bedrijfsleven, 05-10-2017, ECLI:NL:CBB:2017:495, 15/378
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 05-10-2017, ECLI:NL:CBB:2017:495, 15/378
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 5 oktober 2017
- Datum publicatie
- 22 februari 2018
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2017:495
- Zaaknummer
- 15/378
Inhoudsindicatie
Meststoffenwet, bestuurlijke boete
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 15/378
16005
(gemachtigde: P.J. Houtsma)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 april 2015, kenmerk LEE 14/5021 en 14/5059, in het geding tussen
appellante
en
(gemachtigde: mr. M. Leegsma).
Procesverloop in hoger beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 april 2015 (de aangevallen uitspraak).
De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2016. Appellante is verschenen in de persoon van [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Grondslag van het geschil
In het kader van het strafrechtelijke onderzoek Osagedoorn heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) met toestemming van de officier van justitie onderzoek verricht op het bedrijf van appellante naar de naleving van de administratieve verplichtingen en gebruiksnormen op grond van de Meststoffenwet (Msw). De NVWA heeft in de op 15 februari 2013 opgemaakte afdoeningsrapporten nrs. 67612 (2010) en 67613 (2011) (de afdoeningsrapporten) geconcludeerd dat er op het bedrijf van appellante 13 (2010) en 25 (2011) vrachten dierlijke mest zijn gelost. Op de Vervoersbewijzen Dierlijke Meststoffen (VDM’s) staan [naam 3] , [naam 4] en verschillende particulieren of bedrijven (en niet appellante) als afnemer vermeld, die volgens de NVWA echter niet de daadwerkelijke afnemers waren van de mest. De met [naam 5] ( [naam 5] ) afgesloten huurovereenkomst voor een mestsilo diende volgens een in de afdoeningsrapporten opgenomen verklaring van [naam 5] om te verbloemen dat appellante de afnemer was van de mest. Daarnaast is geconcludeerd dat een aantal percelen dat appellante had opgegeven als landbouwgrond, als natuurterrein moet worden aangemerkt. Op basis van deze rapporten heeft de staatssecretaris bij afzonderlijke besluiten van 24 januari 2014 bestuurlijke boetes opgelegd aan appellante wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw. Uit de bijlagen “berekening gebruik meststoffen” en de toelichting daarop blijkt dat appellante volgens de vaststelling van de staatssecretaris in 2010 over 60,82 hectare landbouwgrond beschikte. In 2011 is dat 65,26 hectare. Het percentage dat daarvan grasland is bedraagt in 2010 en 2011 minder dan 70. Er wordt daarom voor de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen uitgegaan van 170 kilogram stikstof per hectare, in plaats van de hogere derogatienorm van 250 kilogram stikstof per hectare. Voor 2010 bedraagt de boete € 102.600,50 en voor 2011 is een boete opgelegd van
€ 67.526,-.
Bij besluiten van 23 oktober 2014, waartegen de beroepen bij de rechtbank waren gericht, heeft de staatssecretaris de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft de beroepen van appellante gericht tegen de besluiten van
23 oktober 2014 in de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, omdat de staatssecretaris ten onrechte de boetes niet conform het door hem gehanteerde beleid met 10% had gematigd op grond van het tijdsverloop tussen de afdoeningsrapporten en de besluiten tot boeteoplegging.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris wel op goede gronden aannemelijk geacht dat appellante artikel 7 van de Msw heeft overtreden. De rechtbank acht het op basis van onder meer de GPS-gegevens met betrekking tot laad- en losmeldingen dierlijke meststoffen in samenhang met de geregistreerde VDM’s bij Dienst Regelingen aannemelijk dat in de kalenderjaren 2010 en 2011 dierlijke mest op het bedrijf van appellante is aangevoerd en, nu geen afvoer van deze mest bekend is, dat deze mest is uitgereden op de bij het bedrijf behorende landbouwgrond. De bij de staatssecretaris over de meststoffenhuishouding van het landbouwbedrijf van appellante bekende informatie bood geen aanknopingspunt voor een andere wijze van verwerking. Appellante moet, om een geslaagd beroep op de opheffing van het verbod in haar geval (“strafuitsluitingsgrond”) te kunnen doen, aannemelijk maken dat de gebruiksnormen niet door haar zijn overschreden, maar heeft geen enkel bewijs aangeleverd dat de mest die op haar vestigingsadres is afgeleverd, naar een bestemming buiten haar bedrijf is afgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris dan ook voor alle aangevoerde hoeveelheden ervan mogen uitgaan dat deze op of in de bodem van het bedrijf van appellante zijn gebracht. Het gehalte stikstof en fosfaat van de door appellante gebruikte mest is berekend op basis van de gemiddelde aantallen dieren die blijken uit de bedrijfsregistratie van appellante in combinatie met de bijbehorende forfaits, zoals opgenomen in de, op de Msw gebaseerde, “Mestbeleid tabellen 2010-2013”. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante niets aangevoerd dat aanleiding geeft tot een andere berekening. Onder verwijzing naar jurisprudentie van het College overweegt de rechtbank voorts dat het niet relevant is dat uit bodemonderzoek is gebleken dat er voor de percelen van appellante geen sprake is van een hoog of verhoogd fosfaatgehalte, nu deze onderzoeken niets zeggen over de aan- en afvoer van mest op de percelen van appellante. Bovendien zijn er veel factoren van invloed op de verschillende stoffen die zich in de bodem bevinden, zodat op basis van de bodemonderzoeken niet geconcludeerd kan worden dat de fosfaat- en stikstofgehaltes van de in 2010 en 2011 aangeleverde en door appellante aangewende mest lager waren. De rechtbank is van oordeel dat dit ook geldt voor de door appellante overgelegde onderzoeksresultaten met betrekking tot het ureumgehalte en het grondwater.
Ten aanzien van de vraag of terecht door appellante opgegeven grond buiten de berekening van het gebruik van meststoffen is gelaten stelt de rechtbank voorop dat op basis van jurisprudentie van het College (ECLI:NL:CBB:2014:227) voor de vraag of de gebruiksnormen van de Msw van toepassing zijn niet doorslaggevend is dat de gronden in een gebied zijn gelegen dat eigendom is van een natuurbeschermingsorganisatie. Nu de regelgeving geen aanknopingspunten biedt voor wat onder ”hoofdfunctie natuur” moet worden verstaan, dient dit te worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke omstandigheden. De activiteiten die appellante op het land ontplooide zijn naar het oordeel van de rechtbank landbouwactiviteiten. De vraag die beantwoordt moet worden is of sprake is van dusdanige beperkingen aan deze activiteiten dat om die reden gezegd moet worden dat het land als hoofdfunctie natuur heeft. Gelet op de pachtovereenkomsten die zich onder de gedingstukken bevinden, beantwoordt de rechtbank deze vraag bevestigend. Daartoe overweegt de rechtbank dat blijkens de overeenkomsten sprake is van beperkingen welke gericht zijn op specifiek natuurbeheer, namelijk botanisch en weidevogelbeheer. Het betreft beperkingen ten aanzien van bemesting, beweiding, maaien, werkzaamheden die de flora, fauna en/of bodem kunnen schaden, grondverzet, egalisatie, opslag, gebruik chemicaliën, verbranden, waterhuishouding, verstoring en verontrusting. Nu voornoemde beperkingen niet in geschil zijn en appellante blijkens haar verklaringen overeenkomstig de genoemde beperkingen heeft gehandeld, is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van percelen met de hoofdfunctie natuur. Hieruit volgt volgens de rechtbank dat de derogatieregeling gelet op het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Msw niet van toepassing is.
Vervolgens overweegt de rechtbank ten aanzien van de stelling van appellante dat zij niet als afnemer van de meststoffen kan worden aangemerkt, omdat [naam 5] in 2010 en 2011 een silo van appellante heeft gehuurd die daarmee onderdeel van het bedrijf van [naam 5] is geworden, dat het door appellante als huurovereenkomst overgelegde document geen huurperiode bevat en geen datum van ondertekening. Ook maakt het document niet duidelijk voor welke hoeveelheid mest de opslag bedoeld is, dat [naam 5] het exclusieve gebruik van de mestput heeft en wat de precieze afspraken zijn met betrekking tot het betalen van een huursom. Met betrekking tot de betaling van de huursom overweegt de rechtbank dat haar niet is gebleken van enige betaling door [naam 5] en dat appellante ter zitting heeft erkend dat [naam 5] verzuimd heeft te betalen. De rechtbank is, in navolging van de staatssecretaris, van oordeel dat het op de weg van appellante had gelegen om duidelijke afspraken met [naam 5] te maken en de nakoming van deze afspraken te controleren. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat niet aan alle voorwaarden wordt voldaan om te kunnen spreken van verhuur van de mestput. Het betoog dat appellante ten onrechte als afnemer wordt aangemerkt, slaagt daarom niet.
Het betoog van appellante dat haar van het overschrijden van de gebruiksnormen geen verwijt kan worden gemaakt, treft naar het oordeel van de rechtbank eveneens geen doel. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het grote aantal vrachten dat op haar perceel is gelost, niet aannemelijk is dat appellante niet wist dat [naam 5] de vrachten meststoffen niet heeft laten afvoeren. Zij had op eenvoudige wijze de aan- en afvoer door [naam 5] kunnen monitoren door de in de silo opgeslagen hoeveelheid mest te registreren. Ook is appellante verantwoordelijk voor het tekenen van de VDM’s en het laten aanpassen van de onjuiste tenaamstelling. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de bij appellante neergelegde verantwoordelijkheid in het kader van de Msw de door haar gestelde onwetendheid haar valt te verwijten.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding voor matiging van de
boetes wegens de door appellante aangevoerde omstandigheden. Wel is ter zitting gebleken dat tussen partijen niet meer in geschil is dat de aan appellante opgelegde boete, gelet op de tijdsduur tussen het vaststellen van het afdoeningsrapport en het boetebesluit, met 10% gematigd dient te worden op grond van het (destijds) door de staatssecretaris gehanteerde beleid. Gelet hierop heeft de rechtbank de beroepen in zoverre gegrond verklaard en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door de boete over het jaar 2010 op € 92.340,45 en de boete over het jaar 2011 op € 60.773,40 vast te stellen.