College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17-04-2018, ECLI:NL:CBB:2018:157, 16/1263
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17-04-2018, ECLI:NL:CBB:2018:157, 16/1263
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 17 april 2018
- Datum publicatie
- 10 mei 2018
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2018:157
- Zaaknummer
- 16/1263
Inhoudsindicatie
Meststoffenwet
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 16/1263
16000
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 november 2016, kenmerk ROE 16/595, in het geding tussen
(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).
Procesverloop in hoger beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
10 november 2016 (ECLI:NL:RBLIM:2016:9697) (de aangevallen uitspraak).
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Appellant heeft een landbouwbedrijf aan de Kerkbergweg 3 te Vlodrop. Het bedrijf wordt door de grens met Duitsland doorsneden. Appellant bewerkt ongeveer 30 ha grond op Nederlands grondgebied en ongeveer 105 ha grond op Duits grondgebied. De landbouwgronden in Duitsland zijn voor een deel gepacht en voor een deel in eigendom van appellant. Voor de bemesting van deze landbouwgronden in Duitsland maakt appellant gebruik van mest die hij op zijn bedrijf in Vlodrop laat aanvoeren en daar opslaat. Appellant produceert op zijn bedrijf in Vlodrop geen mest. De op het bedrijf in Vlodrop aangevoerde mest wordt op het bedrijf gescheiden in dunne en dikke fractie. De dikke fractie wordt voor bemesting naar de Duitse landbouwgronden vervoerd.
Bij besluit van 18 september 2015 (het primaire besluit) heeft de minister appellant bestuurlijke boetes opgelegd voor een aantal overtredingen van de Meststoffenwet (Msw). Appellant heeft in het kader van de controle op naleving van de Msw aangegeven gebruik te willen maken van de ‘Grensboerregeling’ in de zin van artikel 87 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling). De minister heeft vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor die regeling, omdat de mest die appellant naar zijn Duitse landbouwgronden heeft vervoerd niet op het eigen bedrijf van appellant in Nederland was geproduceerd. Nu appellant volgens de minister niet voldeed aan de voorwaarden van de Grensboerregeling, diende appellant een intermediaire onderneming in te schakelen voor het vervoer van de vrachten mest naar de grenspercelen in Duitsland en diende deze mest bemonsterd en gewogen te worden. Als gevolg daarvan heeft de minister, voor zover thans nog van belang, voor de tachtig vrachten mest die appellant in 2014 zelf naar zijn grenspercelen in Duitsland heeft vervoerd zes boetes van elk € 300,- opgelegd voor overtredingen van administratieve verplichtingen op grond van de Uitvoeringsregeling in verband met de afvoer van mest naar Duitsland.
Tegen het primaire besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij zijn besluit van
19 januari 2016 (het bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard. De minister heeft daarbij het primaire besluit herroepen voor zover een boete van
€ 300,- is opgelegd voor het niet toesturen van een mestmonster naar een geaccrediteerd of gelijkwaardig laboratorium en beslist dat deze boete vervalt. Voor het overige heeft de minister het besluit van 18 september 2015 gehandhaafd.
Tegen het bestreden besluit heeft appellant beroep ingesteld. Appellant is in beroep opgekomen tegen de boetes die hem zijn opgelegd voor overtredingen van administratieve verplichtingen op grond van de Uitvoeringsregeling en heeft zich op het standpunt gesteld dat hij voldoet aan de voorwaarde van artikel 87, eerste lid, aanhef en onder d, van de Uitvoeringsregeling, omdat de door hem naar de Duitse landbouwgronden vervoerde mest afkomstig is van zijn bedrijf in Vlodrop. Volgens appellant heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de mest op zijn bedrijf in Vlodrop geproduceerd moet zijn en hij verwijst in dat verband naar het onderscheid dat in de regeling gemaakt wordt tussen ‘geproduceerd’ en ‘afkomstig’. De minister heeft in beroep betoogd dat uit de systematiek van de Uitvoeringsregeling volgt dat de Grensboerregeling meststoffen betreft die zijn geproduceerd op het eigen bedrijf.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.
De rechtbank heeft beoordeeld of appellant voldoet aan de voorwaarden van de Grensboerregeling uit artikel 87 van de Uitvoeringsregeling, in het bijzonder aan de voorwaarde van artikel 87, eerste lid, aanhef en onder d, van de Uitvoeringsregeling. Daartoe heeft zij overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bij de Grensboerregeling gaat om mest die op het eigen bedrijf is geproduceerd en niet om van elders aangevoerde (en eventueel op het eigen bedrijf bewerkte) mest die vervolgens wordt afgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de regeling bedoeld om landbouwers in bijzondere situaties niet te belasten met de kosten van bemonstering en analyse voor het afvoeren van op hun eigen bedrijf geproduceerde en dus daarvan afkomstige meststoffen. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van het College van 19 september 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:290), waarin het College over het begrip ‘afkomstig’ in artikel
91, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling heeft geoordeeld dat de wetgever met dit artikel heeft beoogd een voorziening te treffen voor landbouwers die op hun bedrijf geproduceerde mest willen afvoeren naar een nabijgelegen natuurterrein waarop zij het exclusieve recht hebben, omdat de met weging, bemonstering en analyse gepaard gaande lasten voor hen niet evenredige lasten zouden opleveren (r.o. 8.4). Het College overweegt daartoe in die uitspraak dat bij het bepalen of aan de gebruiksnormen is voldaan, niet voor de van buiten het bedrijf aangevoerde mest gebruik zou mogen worden gemaakt van forfaitaire normen, omdat dan extra gebruiksruimte kan worden gecreëerd die zijn grondslag niet vindt in reële gebruiksruimte (r.o. 8.4). Dat zou volgens het College niet in overeenstemming zijn met het doel van het stelsel van gebruiksnormen, te weten het beperken en voorkomen van (verdere) verontreiniging van grond- en oppervlaktewater door meststoffen. Dat geldt volgens de rechtbank eveneens en onverkort in deze zaak, waarin een uitzondering wordt gemaakt voor afvoer van dierlijke meststoffen, die afkomstig zijn van een bedrijf in Nederland, naar een perceel landbouwgrond in Duitsland of België.