Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 08-01-2019, ECLI:NL:CBB:2019:14, 18/354

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 08-01-2019, ECLI:NL:CBB:2019:14, 18/354

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
8 januari 2019
Datum publicatie
11 januari 2019
ECLI
ECLI:NL:CBB:2019:14
Zaaknummer
18/354

Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete Meststoffenwet. Tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond; percelen niet in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik. Geen aanleiding voor verdere matiging boete. Overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 18/354

allen te [plaats] ,

appellanten

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 januari 2018, kenmerk ROT 14/177 en ROT 15/1840 in het geding tussen

appellanten

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken; hierna de minister of de staatssecretaris),

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop in hoger beroep

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 30 januari 2018 (aangevallen uitspraak).

De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2018. Appellant sub 2 is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van appellanten. Tevens is voor appellanten verschenen [naam 4] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor de minister is daarnaast verschenen [naam 5] .

Grondslag van het geschil

1.1

Het hoger beroep is gericht tegen het in stand laten door de rechtbank van een aan appellanten opgelegde bestuurlijke boete van € 300,- wegens overtreding van artikel 26 in samenhang met artikel 124 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in 2011, en tegen het in stand laten van verschillende boetes van in totaal € 43.449,50 wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Meststoffenwet (Msw) in 2011.

1.2

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.3

Aan appellanten is voor overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw in de jaren 2007 en 2008 ook een boete opgelegd. Het College heeft in een uitspraak van 21 mei 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:CA2239) de boete voor de overtreding van de Msw in 2007 vastgesteld op € 86.958,50. De boete voor overtreding van de Msw,50. De boete voor overtreding van de in 2008 van

€ 73.908,25 heeft het College bij uitspraak van 25 oktober 2016, ECLI:NL:CBB:2016:342 in stand gelaten.

1.4

De boetes voor de overtredingen in het jaar 2011 zijn opgelegd bij besluiten van 24 juli 2013 en 15 januari 2014. Aanleiding voor de onderhavige boetes was een rapport van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) van 4 september 2012 (het rapport). Op grond van dit rapport heeft de staatssecretaris appellanten een boete opgelegd van € 300,- vanwege het niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie in het jaar 2011 door een onjuiste opgave van percelen grond. Voorts heeft de staatssecretaris naar aanleiding van het rapport geconcludeerd dat appellanten over de percelen met de nummers 17 tot en met 21 niet daadwerkelijk de beschikkingsmacht hadden, zodat deze niet tot de oppervlakte van de tot het bedrijf behorende landbouwgrond gerekend kunnen worden. De door de staatssecretaris vastgestelde oppervlakte van de tot het bedrijf behorende landbouwgrond is zodanig dat appellanten de gebruiksnorm dierlijke meststoffen met 10.755 kilogram hebben overschreden, de stikstofgebruiksnorm met 4.194 kilogram en de fosfaatgebruiksnorm met 136 kilogram. Voor het bedrijf van appellanten hanteert de staatssecretaris een norm van 170 kg stikstof per hectare, omdat het bedrijf niet voldoet aan de voorwaarde voor derogatie dat ten minste 70% van de landbouwgrond die tot het bedrijf behoort, grasland is. De staatssecretaris heeft de boete met 50% gematigd ten opzichte van het bedrag dat maximaal kon worden opgelegd.

1.5

Bij zijn besluit van 28 november 2013, waartegen het beroep bij de rechtbank in zaaknummer 14/177 was gericht, heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2013 ongegrond verklaard. Bij zijn besluit van 6 februari 2015, waartegen het beroep bij de rechtbank in zaaknummer 15/1840 was gericht, heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 15 januari 2014 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het totaalbedrag van de boetes vanwege overtreding van het verbod om meststoffen op of in de grond te brengen is vastgesteld op € 43.449,50.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft de beroepen van appellanten tegen de besluiten van 28 november 2013 en van 6 februari 2015 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, in zaaknummer 14/177 (niet naar waarheid bijgehouden administratie) overwogen dat het beroep van appellanten op matiging niet slaagt. In zaaknummer 15/1840 (het verbod om meststoffen in of op de grond te brengen) heeft de rechtbank overwogen dat het College in de genoemde uitspraken van 21 mei 2013 en 25 oktober 2016 heeft geoordeeld dat de percelen 17 tot en met 21 niet behoren tot het bedrijf van appellanten en dat zij hun stelling dat de situatie voor het jaar 2011 anders is, niet hebben onderbouwd. Voor verdergaande matiging dan de staatssecretaris heeft toegepast, heeft de rechtbank geen grond gezien.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing