Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22-01-2019, ECLI:NL:CBB:2019:32, 17/1191

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22-01-2019, ECLI:NL:CBB:2019:32, 17/1191

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22 januari 2019
Datum publicatie
25 januari 2019
ECLI
ECLI:NL:CBB:2019:32
Zaaknummer
17/1191

Inhoudsindicatie

Meststoffenwet. Boete. Niet tot het bedrijf behorende landbouwgrond. Niet de feitelijke beschikkingsmacht om teelt- en bemestingsplan op elkaar af te stemmen. De bepalingen in de grondgebruiksovereenkomst beperken de vrijheid om over de percelen te beschikken.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 17/1191

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2017, kenmerk ROT 16/1242, in het geding tussen

appellant

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken, hierna de minister of de staatssecretaris)

(gemachtigde: mr. M. Leegsma).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 15 juni 2017 (aangevallen uitspraak).

Bij uitspraak van 22 september 2017 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 1 februari 2018 heeft het College het door appellant gedane verzet tegen de uitspraak van 22 september 2017 gegrond verklaard.

De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is aan de zijde van appellant verschenen [naam 2] , medewerker melkvee van Agrarische Bedrijfsverzorging.

Grondslag van het geschil

1.1

Appellant exploiteert een melkveebedrijf. Naar aanleiding van een administratief onderzoek door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), waarvan de resultaten zijn neergelegd in de (bij het hierna te noemen besluit gevoegde) “Berekening gebruik meststoffen 2013” en het “Toelichtend rapport bij boeteberekening”, heeft de staatssecretaris bij besluit van 12 juni 2015 boetes opgelegd wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2013, ter hoogte van in totaal € 51.805,-. De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat appellant in 2013 de gebruiksnorm dierlijke meststoffen, de stikstofgebruiksnorm en de fosfaatgebruiksnorm heeft overschreden. Twee van de door appellant bij de Gecombineerde Opgave opgegeven percelen (percelen met volgnummers 50 en 51) zijn bij de berekening van het gebruik van meststoffen niet als gebruiksruimte meegerekend, omdat deze volgens de staatssecretaris niet als landbouwgrond zijn aan te merken.

1.2

Bij besluit van 14 januari 2016, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de staatssecretaris geconcludeerd dat appellant in 2013 de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en de stikstofgebruiksnorm heeft overschreden. De staatssecretaris heeft het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 12 juni 2015 herroepen en de boete opnieuw vastgesteld op € 48.559,-.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van de staatssecretaris van 14 januari 2016 vernietigd, het besluit van 12 juni 2015 herroepen, de boetes vastgesteld op een totaalbedrag van € 43.703,10 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de staatssecretaris het aan appellant betaalde griffierecht vergoedt en de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van appellant. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen:

“4.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de percelen met de volgnummers 50 en 51 over 2013 niet als landbouwgrond kunnen worden aangemerkt.

(...)

4.5. (...)

Gelet op de beschikbare foto’s van het terrein en de inhoud van de gesloten overeenkomst tussen ROM/S en eiser lijkt veeleer sprake te zijn van de situatie dat ROM/S het terrein in 2013 industrieel had geprepareerd ten behoeve van de verkoop als industrieterrein. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de bestemming van het terrein overeenkomt met de feitelijke situatie van dit industrieterrein, zoals deze blijkt uit de foto’s.

Verweerder heeft er voorts terecht op gewezen dat niet is gebleken dat de betreffende grond op de peildatum van 15 mei 2013 daadwerkelijk werd gebruikt voor de teelt van een gewas. Uit de door verweerder overgelegde foto’s uit het perceelregistratiesysteem blijkt dat er op de betreffende grond spontaan vegetatie groeide welke bestond uit natuurlijke grassen, bloemen en onkruid.

Daarnaast heeft verweerder terecht van belang geacht dat de twee percelen pas eind 2013 zijn gespit en vervolgens zijn ingezaaid met graszaad.

Eiser heeft mitsdien onvoldoende aangetoond dat sprake is geweest van landbouwgrond waarop in dit geval gras wordt geteeld dat is bestemd om te worden gebruikt als veevoer, zoals bepaald in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder q, van de Msw.

4.6.

Nu geen sprake is geweest van landbouwgrond komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vragen of er aangaande de percelen sprake was van een geldige exclusieve gebruikstitel en van feitelijke beschikkingsmacht. Deze aspecten kan de rechtbank derhalve onbesproken laten.

Uit het voorgaande volgt dat de percelen met de volgnummers 50 en 51 niet kunnen worden betrokken bij de berekening van de geldende gebruiksnormen voor het jaar 2013. (...)

Gelet op het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat eiser in 2013 de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen en de stikstofgebruiksnorm voor meststoffen heeft overschreden. Gelet op deze overschrijding van de gebruiksnorm voldoet eiser ook niet aan de voorwaarden om voor derogatie in aanmerking te komen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van het CBb van 17 november 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:372).

Verweerder was daarom bevoegd om voor deze twee overtredingen een boete aan eiser op te leggen.

5. (...) Wel constateert de rechtbank dat tussen het voornemen tot boeteoplegging van 14 oktober 2014 en het doen van uitspraak in deze zaak meer dan twee jaar zijn verstreken. Gelet op vaste rechtspraak is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden.

De rechtbank ziet hierin aanleiding de boete met 10% te matigen. De rechtbank zal op grond van 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht de aan eiser opgelegde boete bepalen op een bedrag van € 43.703,10.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing