Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 03-03-2020, ECLI:NL:CBB:2020:120, 18/1291

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 03-03-2020, ECLI:NL:CBB:2020:120, 18/1291

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
3 maart 2020
Datum publicatie
3 maart 2020
ECLI
ECLI:NL:CBB:2020:120
Formele relaties
Zaaknummer
18/1291

Inhoudsindicatie

Wet financieel toezicht. Boetes betaaldienstverlener o.a. wegens niet beschikken over een onafhankelijke en effectieve compliance functie (art. 3:17 Wft jo. art. 21 lid 1 Bpr) en tekortschietende naleving van de verplichting tot cliëntmonitoring (art. 3 lid 2 sub d Wwft) en van de opleidingsverplichting (art. 35 Wwft). Dat DNB al op andere wijze, namelijk door het geven van een aanwijzing, het voeren van een normoverdragend gesprek en het geven van een waarschuwing, kenbaar had gemaakt dat appellante tekortschoot in de naleving van wet- en regelgeving brengt niet met zich dat DNB niet meer de bevoegdheid had om ter zake alsnog over te gaan tot oplegging van bestuurlijke boetes. De hier aan de orde zijnde overtredingen kunnen ook zonder het naar gesteld wilsafhankelijke materiaal worden bewezen. De vaststelling van DNB dat appellante in de hier aan de orde zijnde periode ten onrechte niet over een organisatieonderdeel beschikte dat op onafhankelijke en effectieve wijze een compliancefunctie uitoefent, is naar het oordeel van het College in de omstandigheden van dit geval een toepassing van aan een betalingsinstelling te stellen eisen van deugdelijk bestuur die overeenkomt met artikel 10, vierde lid, van de Richtlijn betaaldiensten. Bevestiging bestreden uitspraak.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 18/1291

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juni 2018, kenmerk ROT 17/3382 en 17/3383, in het geding tussen appellante en

(gemachtigden: mr. F.E. de Bruijn en mr. C. de Rond).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 5 juni 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:5236).

DNB heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2019.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Van de zijde van appellante is tevens verschenen [naam 2] , CEO van appellante. DNB werd vertegenwoordigd door mr. C. de Rond en mr. L.V. Sieverink. Van de zijde van DNB zijn tevens verschenen mr. H.R.J. Kok, mr. J.A. Zwinkels en F.W. de Rooij, allen werkzaam bij DNB.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Voor het ten tijde van belang toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellante beschikt sinds 2012 over een door DNB verleende vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener als bedoeld in artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht (Wft).

DNB heeft op 27 en 28 november 2014 bij appellante onderzoek verricht naar de beheersing van integriteitsrisico’s. Op 2 juli 2015 heeft DNB appellante een aanwijzing gegeven vanwege tijdens het onderzoek geconstateerde tekortkomingen in de naleving van wet- en regelgeving. Op 13 november 2015 heeft DNB een normoverdragend gesprek met appellante gevoerd en haar een waarschuwing gegeven.

DNB heeft op 12 en 13 april 2016 de opvolging van de aanwijzing onderzocht en haar bevindingen opgenomen in een rapport van 22 juli 2016. Bij besluit van 8 november 2016 heeft DNB een curator benoemd in het bestuur van appellante.

1.3

Bij besluit van 11 oktober 2016 (primair besluit 1) heeft DNB aan appellante een boete opgelegd van € 50.000 wegens overtreding van artikel 3:17 van de Wft in verbinding met artikel 21, eerste lid, van het Besluit prudentiële regels Wft (Bpr), omdat zij in de periode van 1 juli 2014 tot en met 27 augustus 2015 niet over een onafhankelijke en effectieve compliance functie beschikte.

Bij besluit van 20 april 2017 (bestreden besluit 1), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft DNB het bezwaar van appellante tegen het primair besluit 1 ongegrond verklaard.

1.4

Bij besluit van 11 oktober 2016 (primair besluit 2) heeft DNB aan appellante boetes opgelegd van in totaal € 120.000 wegens overtreding in de periode van 20 september 2012 tot en met 27 november 2014 van:

a. artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) (tekortschietende naleving verplichting tot cliëntmonitoring: € 50.000);

b. artikel 8, vierde lid, van de Wwft (€ 50.000);

c. artikel 35 van de Wwft (tekortschietende naleving opleidingsverplichting: € 10.000) en

d. artikel 10b, eerste lid, van de Sanctiewet 1977 (Sw) (€ 10.000).

Bij besluit van 20 april 2017 (bestreden besluit 2), waartegen, voor zover daarbij de onder a. en c. genoemde overtredingen zijn gehandhaafd, het beroep bij de rechtbank eveneens was gericht, heeft DNB het bezwaar van appellante tegen het primair besluit 2 ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft de beroepen van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat, geoordeeld dat het appellante op grond van artikel 21, eerste lid van het Bpr en de toelichting daarop redelijkerwijs duidelijk had kunnen en moeten zijn dat de invulling die zij in de periode van 1 juli 2014 tot en met 27 augustus 2015 heeft gegeven aan de in dat artikel voorgeschreven compliancefunctie niet toelaatbaar is. De rechtbank heeft met DNB geconcludeerd dat appellante dit artikel heeft overtreden. Verder is de rechtbank van oordeel dat DNB appellante terecht heeft tegengeworpen dat zij in de periode van 20 september 2012 tot en met 27 november 2014 onvoldoende cliëntenonderzoek heeft uitgevoerd en dat appellante in haar bedrijfsvoering artikel 3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft heeft overtreden. Het bewijs van deze overtreding volgt volgens de rechtbank uit het door DNB verrichte dossieronderzoek. De op 27 en 28 november 2014 door een bestuurslid en een manager afgelegde verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet nodig om deze overtreding te bewijzen. Ook is de rechtbank met DNB van oordeel dat appellante artikel 35 van de Wwft heeft overtreden, omdat zij in genoemde periode er geen zorg voor heeft gedragen dat haar werknemers voldoende bekend waren met de Wwft en op dat vlak (periodiek) opleidingen hebben genoten die hen in staat stelden een ongebruikelijke transactie te herkennen en (per 1 januari 2013) een cliëntenonderzoek goed en volledig uit te voeren. Volgens de rechtbank heeft DNB het bewijs van deze overtreding niet uitsluitend gebaseerd op de verklaringen van 27 en 28 november 2014.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing

Bijlage wettelijk kader