College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-04-2020, ECLI:NL:CBB:2020:318, 18/2928
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-04-2020, ECLI:NL:CBB:2020:318, 18/2928
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 28 april 2020
- Datum publicatie
- 28 april 2020
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2020:318
- Zaaknummer
- 18/2928
Inhoudsindicatie
Wet op het financieel toezicht. Minister heeft het verzoek om openbaarmaking van een onderzoeksrapport uit 1996 terecht afgewezen op grond van artikel 1:42 lid 5 Wft. Afwijzing van het onderhavige verzoek is gebaseerd op een andere rechtsgrondslag dan de afwijzing van het eerdere verzoek uit 2006. Ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 4:6 lid 2 Awb.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 18/2928
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 november 2018, kenmerk ROT 17/6755, in het geding tussen
(gemachtigden: mr. M.A.G. Stolker en E. Geurink).
Procesverloop in hoger beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 2 november 2018 (niet gepubliceerd).
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend en het document waarop het hoger beroep ziet (waarvan openbaarmaking is geweigerd) toegezonden. Daarbij heeft de minister het College met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat alleen het College kennis mag nemen van dit stuk.
Het College heeft bij brief van 4 april 2019 aan appellant medegedeeld te handelen alsof het verzoek tot beperking van de kennisneming is ingewilligd. Aan appellant is verzocht of hij het College toestemming verleent mede op grondslag van het desbetreffende stuk uitspraak te doen. Bij brief van 9 juli 2019 heeft appellant het College deze toestemming verleend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020.
Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Grondslag van het geschil
Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden..
Appellant was directeur-grootaandeelhouder van het in 1993 gefailleerd effectenbedrijf [naam 2] B.V. ( [naam 2] ).
In 1996 heeft de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) na overleg met de minister onderzoek laten verrichten naar de wijze waarop de beurzen, te weten de Vereniging voor Effectenhandel (VvdE) en de Vereniging European Options Exchange (VEOE) toezicht hebben gehouden op [naam 2] en [naam 3] N.V. ( [naam 3] ) en de wijze waarop STE toezicht heeft gehouden op genoemde beurzen. De resultaten daarvan zijn neergelegd in een rapport van 18 december 1996 (het rapport). Een geanonimiseerde versie van het rapport is destijds aan de Tweede Kamer gezonden.
Bij brief van 9 augustus 2006 heeft appellant de minister om openbaarmaking van de volledige versie van het rapport verzocht. Bij besluit van 5 september 2006 heeft de minister dit verzoek afgewezen met een beroep op artikel 31 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995). Het bezwaar daartegen heeft de minister bij besluit van 12 december 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 15 mei 2008 het beroep daartegen gegrond verklaard en het besluit van 12 december 2008 vernietigd (ECLI:NL:RBROT:2008:BD2857). Hiertegen hebben appellant, alsmede de minister en de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) als opvolger van STE gezamenlijk, hoger beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 4 september 2009 (ECLI:NL:CBB:2009:BJ8735) heeft het College het hoger beroep van de minister en AFM gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak van 15 mei 2008 vernietigd, het beroep van appellant tegen het besluit van 12 december 2006 ongegrond verklaard en zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het College heeft in die uitspraak overwogen dat het niet openbaar gemaakte gedeelte van het rapport voor een groot deel gegevens bevat die herleidbaar zijn tot afzonderlijke ondernemingen of instellingen. Het College heeft geoordeeld dat de minister gelet hierop in het licht van artikel 31, vijfde lid, van de Wte 1995 de bevoegdheid ontbeert om een volledige versie van het rapport openbaar te maken en dat de minister, gelet op de inhoud en strekking van het verzoek, dat verzoek terecht heeft afgewezen in het licht van het bepaalde bij artikel 31, vijfde lid, van de Wte 1995.
Op 12 januari 2015 heeft appellant met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) de minister verzocht om openbaarmaking van de volledige versie van het rapport (het verzoek).
Bij besluit van 9 februari 2015 (het primaire besluit) heeft de minister het verzoek van appellant afgewezen om dezelfde redenen als genoemd in zijn besluit van 5 september 2006. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het verzoek hetzelfde verzoek is als dat appellant in 2006 heeft gedaan en dat appellant aan het verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd.
Bij besluit van 14 april 2015, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht (het bestreden besluit), heeft de minister het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. De minister heeft in dat besluit overwogen dat het College in zijn uitspraak van 4 september 2009 ten aanzien van het verzoek uit 2006 heeft geoordeeld dat niet de Wob, maar de Wte 1995, de voorloper van de Wet op het financieel toezicht (Wft), van toepassing is en dat de minister de bevoegdheid ontbeerde de volledige versie van het rapport openbaar te maken. Nu het wettelijk kader van de Wft niet inhoudelijk is gewijzigd ten opzichte van de Wte 1995, is de uitspraak van het College nog steeds van toepassing en staat het uitputtende en limitatieve stelsel van de Wft aan inwilliging van het informatieverzoek van appellant in de weg, aldus de minister. Volgens de minister bestaat geen grond voor het oordeel dat de Wft door tijdsverloop minder strikt zou moeten worden toegepast.
Bij uitspraak van 22 december 2016 heeft de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaard om van het bij haar door appellant ingestelde beroep tegen vorengenoemd besluit van 14 april 2015 kennis te nemen en heeft zij het beroep ter behandeling doorgezonden aan de rechtbank Rotterdam. Het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van 11 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2731) ongegrond verklaard. De Afdeling heeft daartoe overwogen dat niet de Wob, maar de Wft het toetsingskader is voor het informatieverzoek van appellant, zodat de rechtbank Rotterdam bevoegd is kennis te nemen van het beroep.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en daartoe, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het verzoek kunnen afwijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit en het oordeel van het College daaromtrent. De rechtbank heeft overwogen dat het verzoek van appellant identiek is aan het eerdere verzoek van 9 augustus 2006. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant aan het verzoek geen nova ten grondslag heeft gelegd en dat de Wft als opvolger van de Wte 1995, voor zover hier van belang, niet inhoudelijk is gewijzigd. Nu de Wft een uitputtend openbaarmakingsregime kent, en de in het rapport neergelegde informatie is verkregen krachtens (de voorganger van) de Wft, wijkt, ongeacht de grondslag van het verzoek, de Wob als algemene openbaarmakingsregeling en is de Wft het relevante toetsingskader. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn betoog dat door tijdsverloop en door faillissement van de in het rapport genoemde instellingen de vertrouwelijkheid van de verzochte stukken is uitgewerkt, waardoor de Wob desalniettemin van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het door appellant gestelde tijdsverloop terecht niet als nieuw gebleken feit aangemerkt. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat uit de wettekst van de Wft, noch uit de geschiedenis van de totstandkoming daarvan blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat de geheimhoudingsplicht na verloop van tijd vervalt. Ook uit de door appellant aangehaalde Europese richtlijnen leidt de rechtbank niet af dat daarin is beoogd dat na verloop van tijd de daarin genoemde geheimhoudingsverplichting dient te vervallen door tijdsverloop. Voor de conclusie dat de Wft in het algemeen en artikel 1:89 van de Wft in het bijzonder onjuist of onvolledig zou zijn geïmplementeerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien.