Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18-02-2020, ECLI:NL:CBB:2020:92, 19/161

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18-02-2020, ECLI:NL:CBB:2020:92, 19/161

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18 februari 2020
Datum publicatie
18 februari 2020
ECLI
ECLI:NL:CBB:2020:92
Zaaknummer
19/161

Inhoudsindicatie

Hoger beroep mededingingsrecht. Openbaarmaking besluiten ACM. Artikelen 12u-12w Instellingswet ACM. Artikel 12v heeft ook betrekking op een besluit waarbij ACM vaststelt dat een onderneming (bijvoorbeeld) het kartelverbod heeft overtreden, dat aan die onderneming op zichzelf daarvoor een (bepaalde) boete behoort te worden opgelegd, maar dat niettemin van het opleggen van een boete wordt afgezien. De rechtbank heeft ten onrechte artikel 12w van toepassing geacht. Volgt terugwijzing. Schorsing openbaarmaking boetebesluit. Zie ook ECLI:NL:CBB:2020:91.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 19/161

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 februari 2020 op het hoger beroep van:

(gemachtigden: mr. M.C.C. van Overbeek en mr. K. Hellingman)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 december 2018, kenmerk ROT 18/679, in het geding tussen

(gemachtigde: mr. N.J. Linssen)

en

Procesverloop in hoger beroep

ACM heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 6 december 2018 (niet gepubliceerd) voor zover daarbij is beslist op het beroep van [naam 1] in de zaak met nummer ROT 18/679 (aangevallen uitspraak).

[naam 1] heeft een reactie op het hogerberoepschrift van ACM ingediend.

Ten aanzien van een aantal stukken die ACM verplicht is over te leggen heeft zij medegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 6 november 2019 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. [naam 1] heeft het College toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft ACM op 22 januari 2019 een nieuw besluit genomen ter vervanging van het door de rechtbank vernietigde besluit van 21 december 2017.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2019. ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Namens ACM is tevens verschenen mr. A.S.M.L. Prompers. [naam 1] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens [naam 1] is tevens verschenen [naam 2] .

Grondslag van het geschil

1.1.

ACM is naar aanleiding van een clementieverzoek een onderzoek gestart naar een mogelijke overtreding van artikel 101, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en/of artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet (Mw) door ondernemingen die actief zijn als verkoper en/of producent van [...] in Nederland.

1.2.

Naar aanleiding van het onderzoek heeft ACM vastgesteld dat enkele ondernemingen, waaronder [naam 3] B.V. ( [naam 3] ), een 100% deelneming van [naam 1] , zich schuldig hebben gemaakt aan overtreding van artikel 101, eerste lid, van het VWEU en artikel 6, eerste lid, van de Mw. In verband daarmee heeft ACM bij besluit van 17 februari 2017 (primair boetebesluit) boetes opgelegd. Aan [naam 3] is een boete opgelegd van € 2.798.000,-, waarbij [naam 3] hoofdelijk aansprakelijk is voor € 2.060.000,- en [naam 1] , de moedermaatschappij, voor het gehele bedrag.

1.3.

Bij besluit van 13 maart 2017 (primaire publicatiebesluit) heeft ACM met toepassing van artikel 12v van de Instellingswet ACM (Instellingswet) besloten het primaire boetebesluit voor zover dat ziet op [naam 1] openbaar te maken.

1.4.

Bij besluit op bezwaar van 2 november 2017 (bestreden boetebesluit) heeft ACM, voor zover hier van belang, de boete voor [naam 3] verlaagd tot € 1.935.000,- en afgezien van het opleggen van een boete aan [naam 1] wegens het ontbreken van financiële draagkracht.

1.5.

Bij besluit van 21 december 2017 (bestreden publicatiebesluit) heeft ACM het bezwaar van [naam 1] tegen het primaire publicatiebesluit ongegrond verklaard en met toepassing van artikel 12v van de Instellingswet besloten het bestreden boetebesluit gecombineerd met het primaire boetebesluit te publiceren.

1.6.

[naam 1] heeft tegen het bestreden boetebesluit beroep ingesteld. Zij heeft in beroep, kort gezegd, primair betoogd dat geen sprake is van een overtreding en subsidiair dat de overtreding ten onrechte mede aan haar, als moedermaatschappij, is toegerekend. De rechtbank heeft, kort gezegd, overwogen dat het bestreden boetebesluit voor [naam 1] geen negatieve rechtsgevolgen heeft en heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. [naam 1] heeft daartegen hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van vandaag (ECLI:NL:CBB:2020:91) heeft het College geoordeeld dat [naam 1] wel procesbelang heeft en met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die zaak teruggewezen naar de rechtbank.

1.7.

[naam 1] heeft ook tegen het bestreden publicatiebesluit beroep ingesteld. Tevens heeft zij daartegen bezwaar gemaakt voor zover dat ziet op de publicatie van het bestreden boetebesluit. ACM heeft het bezwaarschrift doorgezonden naar de rechtbank met het verzoek dit als beroepschrift tegen het bestreden publicatiebesluit in behandeling te nemen.

Uitspraak van de rechtbank

2.1.

De rechtbank heeft, met verwijzing naar haar uitspraak van 25 januari 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:375), vooropgesteld dat het bestreden publicatiebesluit ook voor zover dat ziet op de publicatie van het bestreden boetebesluit moet worden aangemerkt als een beslissing op bezwaar.

2.2.

De rechtbank heeft overwogen dat ACM bij het bestreden boetebesluit heeft afgezien van het opleggen van een boete aan [naam 1] , zodat geen sprake (meer) is van een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 12v van de Instellingswet, die volgens die bepaling openbaar wordt gemaakt. De reden waarom ACM heeft afgezien van oplegging van een boete, in dit geval het ontbreken van financiële draagkracht, is daarbij niet relevant. Het bestreden publicatiebesluit is daarom genomen in strijd met artikel 12v van de Instellingswet. Dit neemt volgens de rechtbank niet weg dat ACM op grond van artikel 12w, eerste lid, van de Instellingswet andere besluiten dan beschikkingen tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie openbaar kan maken. Publicatie op grond van deze bepaling geschiedt na een belangenafweging. De rechtbank heeft daarom - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het bestreden publicatiebesluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat ACM een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van [naam 1] tegen het primaire publicatiebesluit met inachtneming van de uitspraak.

2.3.

Verder heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, een voorlopige voorziening getroffen, inhoudende dat het primaire publicatiebesluit wordt geschorst tot zes weken nadat ACM opnieuw op het bezwaar van [naam 1] tegen het primaire publicatiebesluit heeft beslist.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing

Bijlage