College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18-02-2020, ECLI:NL:CBB:2020:91, 19/159
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18-02-2020, ECLI:NL:CBB:2020:91, 19/159
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 18 februari 2020
- Datum publicatie
- 18 februari 2020
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2020:91
- Zaaknummer
- 19/159
Inhoudsindicatie
Hoger beroep mededingingsrecht. Hoger beroep kennelijk gegrond. Verwijzing naar ECLI:NL:CBB:2019:329. Wel procesbelang. Volgt terugwijzing. Zie ook ECLI:NL:CBB:2020:92.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 19/159
uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de meervoudige kamer van 18 februari 2020 op het hoger beroep van:
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 december 2018, kenmerk ROT 17/7081, in het geding tussen
(gemachtigde: mr. N.J. Linssen)
en
(gemachtigde: mr. M.C.C. van Overbeek)
Procesverloop in hoger beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 6 december 2018 (niet gepubliceerd) voor zover daarbij is beslist op het beroep van appellante in de zaak met nummer ROT 17/7081 (aangevallen uitspraak).
ACM heeft een reactie op het hogerberoepschrift van appellante ingediend.
Grondslag van het geschil
ACM is naar aanleiding van een clementieverzoek een onderzoek gestart naar een mogelijke overtreding van artikel 101, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en/of artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet (Mw) door ondernemingen die actief zijn als verkoper en/of producent van [...] in Nederland.
Naar aanleiding van het onderzoek heeft ACM vastgesteld dat enkele ondernemingen, waaronder [naam 2] B.V. ( [naam 2] ), een 100% deelneming van appellante, zich schuldig hebben gemaakt aan overtreding van artikel 101, eerste lid, van het VWEU en artikel 6, eerste lid, van de Mw. In verband daarmee heeft ACM bij besluit van 17 februari 2017 boetes opgelegd. Aan [naam 2] is een boete opgelegd van € 2.798.000,-, waarbij [naam 2] hoofdelijk aansprakelijk is voor € 2.060.000,- en appellante, de moedermaatschappij, voor het gehele bedrag.
Bij besluit van 2 november 2017 (bestreden besluit) heeft ACM, voor zover hier van belang, de boete voor [naam 2] verlaagd tot € 1.935.000,- en afgezien van het opleggen van een boete aan appellante wegens het ontbreken van financiële draagkracht. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld voor zover dat tot haar is gericht.
Uitspraak van de rechtbank
Appellante heeft in beroep, kort gezegd, primair betoogd dat geen sprake is van een overtreding en subsidiair dat de overtreding ten onrechte mede aan haar, als moedermaatschappij, is toegerekend.
De rechtbank heeft, kort gezegd, overwogen dat het bestreden besluit voor appellante geen negatieve rechtsgevolgen heeft en heeft daarom het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.