College van Beroep voor het bedrijfsleven, 19-04-2022, ECLI:NL:CBB:2022:177, 20/962
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 19-04-2022, ECLI:NL:CBB:2022:177, 20/962
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 19 april 2022
- Datum publicatie
- 19 april 2022
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2022:177
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:8466, Overig
- Zaaknummer
- 20/962
- Relevante informatie
- Wet op het financieel toezicht [Tekst geldig vanaf 18-03-2025 tot 28-06-2025]
Inhoudsindicatie
Hoger beroep. Wet op het financieel toezicht. Bestuurlijke boete. EU-paspoort voor grensoverschrijdende dienstverlening. Kredietverstrekking vanuit een niet-geregistreerd bijkantoor in Nederland. Geen overtreding van artikel 2:60, eerste lid, Wft. Bepaling is niet op appellante van toepassing. Omdat appellante de kennisgevingsprocedure voor het verrichten van diensten heeft gevolgd en het haar op grond van de Wft was toegestaan om in Nederland door middel van het verrichten van diensten krediet te verlenen, gold voor haar tot 12 juni 2015 de uitzondering van artikel 2:62, aanhef en onder a, Wft. Voor de periode vanaf 12 juni 2015 gold de uitzondering van artikel 2:61, eerste lid, onder c, Wft op grond waarvan banken met een vergunning van de Europese Centrale Bank zijn uitgezonderd van artikel 2:60, eerste lid, Wft. Boete vernietigd en herroepen.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 20/962
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 september 2020, kenmerk ROT 19/3428, in het geding tussen
appellante
en
(gemachtigden: mr. C. de Rond en mr. M. Koppenol).
Procesverloop in hoger beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 29 september 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:8466).
AFM heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend, die zij later heeft aangevuld.
Appellante heeft daarop schriftelijk gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2022.
Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voorts is voor appellante verschenen haar CFO [naam 2] . Aan de zijde van AFM is voorts verschenen mr. R.S.S. Witvoet-IJff.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Appellante, een vennootschap naar Maltees recht en statutair gevestigd te Malta, staat onder toezicht van de Malta Financial Services Authority (MFSA). MFSA heeft haar op grond van de Maltese Banking Act 1994 een bankvergunning verleend voor onder meer het verstrekken van consumentenkrediet. Sinds 15 juni 2010 is appellante opgenomen in het openbaar register van De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) als houder van een Europees paspoort (EU paspoort) in de zin van artikel 2:18 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) voor het verrichten van grensoverschrijdende diensten als bank vanuit een andere lidstaat van de Europese Unie, waaronder het verstrekken van leningen.
Op 3 september 2013 startte appellante met het in Nederland aanbieden van consumptief krediet via de in de Nederlandse taal opgestelde website www.cashper.nl. AFM is op 20 maart 2014 een onderzoek gestart naar die activiteiten en heeft daartoe op 15 en 16 maart 2016 op het kantoor van appellante te Berkel en Rodenrijs onaangekondigd onderzoek gedaan naar de naleving door appellante van de Wft en de Wet handhaving consumentenbescherming.
Appellante is op 3 april 2016 gestopt met het in behandeling nemen van nieuwe kredietaanvragen van consumenten in Nederland en heeft daarvan op 13 juni 2016 mededeling gedaan op haar website. In overleg met AFM heeft zij de lopende Nederlandse kredietportefeuille voor 1 januari 2017 afgewikkeld.
Op basis van haar onderzoek is bij AFM het vermoeden ontstaan dat appellante haar activiteiten in Nederland heeft uitgevoerd vanuit een bijkantoor als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder 17, van de Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (Verordening (EU) nr. 575/2013). AFM heeft dit vermoeden bij brief van 5 oktober 2016 met bijbehorend rapport ter toetsing voorgelegd aan MFSA.
Op 7 november 2017 heeft MFSA aan appellante bericht dat haar kantoor in Berkel en Rodenrijs een niet-geregistreerd bijkantoor is en dat appellante daarmee in Nederland activiteiten heeft verricht die verder gaan dan haar Europees paspoort haar toestaat. Op 15 november 2018 heeft MFSA aan appellante in verband daarmee een boete van € 80.500,- opgelegd wegens overtreding van artikel 11 (2) van de Malta Banking Act en artikel 10 (1), (2) en (7) van de bijbehorende European Passport Rights for Credit Institutions Regulations. MFSA heeft appellante voor de keuze gesteld de notificatieprocedure voor het openen van een bijkantoor te doorlopen of om noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat consumenten buiten Malta enkel worden bediend vanuit de infrastructuur in Malta. Appellante heeft tegen het boetebesluit van de MFSA geen rechtsmiddel aangewend.
Onder verwijzing naar de opvatting van MFSA heeft AFM geconcludeerd dat appellante weliswaar op basis van haar Europese bankvergunning vanuit Malta krediet mocht aanbieden in Nederland zonder een daartoe door AFM verleende vergunning, maar niet vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor. Daarom heeft AFM appellante bij besluit van 18 oktober 2018 (het primaire besluit) een bestuurlijke boete van € 1.750.000,- opgelegd wegens overtreding van artikel 2:60, eerste lid, van de Wft in de periode van 3 september 2013 tot 13 juni 2016. Appellante kan zich volgens AFM niet beroepen op de uitzondering op de vergunningplicht in artikel 2:62 van de Wft, nu zij in Nederland een bijkantoor heeft gevestigd zonder daartoe de notificatieprocedure te hebben doorlopen. Appellante heeft zich daarmee onttrokken aan het (gedrags)toezicht van AFM.
Bij besluit van 29 mei 2019 (het bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft AFM het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en daartoe, samengevat en voor zover voor het hoger beroep van belang, overwogen dat appellante met het aanbieden van krediet in Nederland vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor artikel 2:60, eerste lid, van de Wft heeft overtreden. Appellante komt geen beroep toe op de uitzondering van de vergunningplicht van artikel 2:62, aanhef en onder a, van de Wft. Appellante kon zich naar het oordeel van de rechtbank alleen bij het aanbieden van krediet in Nederland vanuit Malta op artikel 2:62 van de Wft beroepen en dus niet bij het aanbieden van krediet in Nederland vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor. De rechtbank heeft het beroep van appellante op artikel 2:61, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wft afgewezen. Ook na de (van rechtswege) omzetting van haar Maltese vergunning naar een ECB-vergunning gelden notificatieregels voor het openen van een bijkantoor in een andere lidstaat. Appellante was in de gehele periode (van 3 september 2013 tot 13 juni 2016) gehouden de home state toezichthouder (MFSA) in kennis te stellen van het openen van een bijkantoor. Nu zij dit niet heeft gedaan, is zij gedurende die periode (steeds) in overtreding geweest.