Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-06-2023, ECLI:NL:CBB:2023:286, 21/1231

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-06-2023, ECLI:NL:CBB:2023:286, 21/1231

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13 juni 2023
Datum publicatie
13 juni 2023
ECLI
ECLI:NL:CBB:2023:286
Zaaknummer
21/1231
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030]

Inhoudsindicatie

Het College deelt niet het standpunt van de minister dat de aan het besluit van 4 mei 2020 ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden en meer in het bijzonder de daarbij vastgestelde eindvoorraad dierlijke meststoffen 2016 formele rechtskracht hebben. Het College ziet verder geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de minister bij de door hem gehanteerde berekening ten onrechte is uitgegaan van een onjuiste beginvoorraad dierlijke meststoffen voor het jaar 2017.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 21/1231

Maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , (de maatschap)

(gemachtigde: R. Scholten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 augustus 2021, kenmerk SHE 20/2987, in het geding tussen

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma).

Procesverloop in hoger beroep

De maatschap heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (rechtbank) van 31 augustus 2021.

De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

De zitting was op 29 maart 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 3] namens de maatschap en de gemachtigde van de minister.

Grondslag van het geschil

1.1

Het College geeft hieronder een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden. Voor het procedureverloop wordt verder verwezen naar de aangevallen uitspraak.

1.2

De maatschap exploiteerde een varkenshouderij.

1.3

Bij besluit van 4 mei 2020 heeft de minister de maatschap een boete opgelegd van € 553,- voor het overtreden van de Meststoffenwet (Msw) voor het jaar 2016. Daarbij is de minister uitgegaan van een eindvoorraad dierlijke meststoffen voor het jaar 2016 van 10.319 kg fosfaat. De maatschap heeft tegen dit boetebesluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft gecontroleerd of de maatschap voor het jaar 2017 de Msw heeft nageleefd. Bij die controle is onder meer geconstateerd dat de maatschap de fosfaatgebruiksnorm heeft overschreden.

1.5

Met het besluit van 8 juli 2020 (boetebesluit) heeft de minister de overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm voor 2017 vastgesteld op 1.031 kg fosfaat. Bij de berekening van die overschrijding is onder meer uitgegaan van een beginvoorraad dierlijke meststoffen voor 2017 van 10.319 kg fosfaat en een eindvoorraad dierlijke meststoffen voor 2017 van 9.455 kg fosfaat. Vanwege de overschrijding van 1.031 kg fosfaat heeft de minister met het boetebesluit een boete opgelegd van € 11.341,-. Dit bedrag is met 50% gematigd, omdat de maatschap niet in de gelegenheid is gesteld te anticiperen op de controle over het jaar 2016.

1.6

In de beslissing op bezwaar van 17 september 2020 heeft de minister voor de vaststelling van de eindvoorraad van 9.455 kg fosfaat toegelicht dat hij daarbij rekening heeft gehouden met een aangroei van een bezinklaag die zich in de mestkelders van het bedrijf van de maatschap bevindt.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep van de maatschap ongegrond verklaard. Zij stelt vast dat niet in geschil is dat de minister conform artikel 94, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling) wat betreft de beginvoorraad is uitgegaan van de eindvoorraad dierlijke meststoffen voor 2016, namelijk 10.319 kg fosfaat. In de berekening van de minister zijn de hoeveelheden fosfaat onder de posten “beginvoorraad” en “Productie” bij elkaar opgeteld en zijn van dit (sub)totaal de hoeveelheden fosfaat onder de posten “Afvoer” en “Eindvoorraad” afgetrokken. De juistheid van deze berekeningswijze van de totale gebruikte dierlijke meststoffen is niet in geschil. Volgens de rechtbank heeft de minister er allereerst terecht op gewezen dat hij alleen rekening hoeft te houden met de aangroei van de bezinklaag. Uit de uitspraak van het College van 8 oktober 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:383) volgt dat het niet gaat om de totale omvang van de bezinklaag, maar om de jaarlijkse groei en specifiek de aanwas in het betreffende kalenderjaar. Gelet op de door minister gehanteerde berekeningswijze betekent een hogere beginvoorraad uiteindelijk ook een grotere overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm. In zoverre is de maatschap dan ook niet tekortgedaan, aldus de rechtbank. Tot slot oordeelt de rechtbank dat zij de maatschap niet volgt in haar standpunt dat vanwege de aanwezigheid van de bezinklaag ook de eindvoorraad dierlijke meststoffen voor het jaar 2017 niet klopt, omdat de maatschap alleen de aanwas van de bezinklaag van belang is. Niet in geschil is dat op grond van een aanwas van de bezinklaag de minister de eindvoorraad heeft berekend, waarbij bovendien ten gunste van de maatschap een marge is toegepast met betrekking tot de grootte van de aangroei van de bezinklaag.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing