Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23-04-2024, ECLI:NL:CBB:2024:286, 22/807

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23-04-2024, ECLI:NL:CBB:2024:286, 22/807

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23 april 2024
Datum publicatie
23 april 2024
ECLI
ECLI:NL:CBB:2024:286
Formele relaties
Zaaknummer
22/807
Relevante informatie
Wet toezicht trustkantoren [Tekst geldig vanaf 01-01-2019] [Regeling ingetrokken per 2019-01-01]

Inhoudsindicatie

Financieel toezicht. Grondslag heffing kosten doorlopend toezicht. Hoger beroep.

DNB heeft de heffing toezichtkosten over het jaar 2020 voor appellante vastgesteld op € 48.500,-. Op grond van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019 (Bbft 2019) wordt het bedrag van de heffing voor trustkantoren als appellante bepaald aan de hand van de maatstaf “omzet”. DNB heeft hieronder verstaan de totale (groeps)omzet in 2019 van appellante.

Het College is van oordeel dat de heffing is vastgesteld in overeenstemming met het Bbft 2019. Zowel de door appellante in haar opgave gespecificeerde post ‘honorarium’, als de post ‘doorbelaste kosten’ vallen als aanvullende werkzaamheden onder de jaarlijkse omzet en overige opbrengsten uit trustdiensten valt. Deze aanvullende werkzaamheden zijn trustdiensten in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wtt 2018, omdat appellante deze werkzaamheden levert in combinatie met domicilieverlening.

Exceptief toetsend oordeelt het College dat het Bbft 2019 op dit punt niet in strijd is met artikel 15 van de Wet bekostiging financieel toezicht 2019. De regelgever heeft er met het Bbft 2019 voor gekozen dat voor trustkantoren de hoogte van het jaarlijks in rekening te brengen bedrag aan de hand van de maatstaf omzet wordt bepaald . Deze maatstaf stemt overeen met de maatstaf die al vóór de nu vigerende regelgeving voor trustkantoren gold. Dat voor andere instellingen is gekozen voor een andere maatstaf betekent niet dat de maatstaf voor trustkantoren in strijd is met artikel 15 van de Wet.

Het Bbft 2019 is op dit punt evenmin in strijd met algemene rechtsbeginselen. Het is vaste rechtspraak van het College dat de omstandigheid dat een andere maatstaf, staffeling of verdelingssysteem mogelijk was geweest niet met zich brengt dat de gekozen maatstaf onevenredig of willekeurig is. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake, omdat uit de regelgeving duidelijk is dat voor trustkantoren de omzet bepalend is en appellante erop bedacht had moeten zijn dat bij een toenemende omzet ook de heffing toezichtkosten stijgt. Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 22/807

(gemachtigde: mr. M. van Eersel),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2022, kenmerk ROT 21/2067, in het geding tussen

[naam 1]

en

(gemachtigden: mr. L.J. Leijten en mr. J.T.C. Leliveld).

Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 29 maart 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:2681).

DNB heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

De zitting was op 25 januari 2024. Aan die zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Verder waren aanwezig [naam 2] namens [naam 1] en [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] namens DNB.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

[naam 1] is actief als trustkantoor en vormt samen met [naam 6] B.V. ( [naam 6] ) een groep van trustkantoren met als groepshoofd [naam 1] . [naam 1] beschikt over een vergunning op grond van artikel 3 van de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018).

1.3

DNB brengt als toezichthouder jaarlijks bij een onder toezicht staande instelling als [naam 1] een bedrag voor de kosten van toezicht in rekening.

1.4

Bij brief van 24 augustus 2020 heeft DNB [naam 1] een 'Formulier opgave omzet en overige opbrengsten uit trustdiensten 2019' (opgaveformulier) toegestuurd en haar verzocht dat ingevuld te retourneren. In die brief staat verder het volgende:

“Indien uw instelling naast trustdiensten ook diensten verricht waarop de Wtt 2018 niet van toepassing is, dient u de omzet en overige opbrengsten van uw instelling te splitsen in trustdiensten en niet-trustdiensten. Wij verzoeken u in een dergelijk geval de specificatie van deze splitsing mee te zenden. Indien het bedrag op een andere dan hierboven beschreven wijze bepaald is, verzoeken wij u een onderbouwing daarvan mee te sturen. ”

1.5

Bij e-mail van 21 september 2020 hebben [naam 1] en [naam 6] het ingevulde opgaveformulier naar DNB gestuurd. Hierin hebben zij voor € 194.942,- aan omzet en overige opbrengsten uit trustdiensten over het jaar 2019 opgegeven. In de eveneens toegestuurde ‘specificatie netto omzet 2019’ staat onder ‘groepstotaal’ als 'opbrengsten trustdiensten’ (management vergoedingen en domicilie vergoedingen) € 194.942,-, als ‘honorarium’ € 577.979,-, als ‘doorbelaste kosten’ € 27.374,-, als ‘overige omzet’ 0 en als ‘netto omzet in jaarrekening 2019’ € 800.295,-. In reactie op vragen van DNB heeft [naam 1] bij e-mail van 8 december 2020 toegelicht dat de post ‘honorarium’ betrekking heeft op “uurbestedingen zoals het opstellen van de jaarrekening, juridisch advies”. Volgens [naam 1] gaat het daarbij om “aanvullende werkzaamheden” als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wtt 2018.

1.6

Met het besluit van 18 december 2020 (heffingsbesluit) heeft DNB over het jaar 2020 € 48.500,- aan kosten voor het doorlopend toezicht bij [naam 1] in rekening gebracht. Aan die berekening heeft DNB de totale (groeps)omzet van [naam 1] uit 2019 van € 800.295,-, zoals volgt uit het jaarverslag over 2019, ten grondslag gelegd.

1.7

Met het besluit van 5 maart 2021 (bestreden besluit) heeft DNB de bezwaren van [naam 1] tegen het heffingsbesluit ongegrond verklaard. Het beroep van [naam 1] bij de rechtbank was gericht tegen dit besluit.

Uitspraak van de rechtbank

2 De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

Ten onrechte volledige (gecombineerde) omzet betrokken

[...] 4.1. In de Wet bekostiging financieel toezicht 2019 (Wbft), het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019 (Bbft) en de Rbft wordt uitsluitend gesproken over de maatstaf ‘omzet’ en niet over ‘omzet uit directieverlening en domicilieverlening’. De wetgever heeft DNB als toezichthouder dus niet voorgeschreven de door [naam 1] bepleite beperking tot ‘omzet uit directieverlening en domicilieverlening’ te hanteren. Hierin is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat DNB het heffingsbesluit niet mocht baseren op de totale (groeps)omzet van [naam 1] over het jaar 2019.

4.2.

Ook de wetsgeschiedenis bevat geen aanleiding voor het oordeel dat bij de maatstaf ‘omzet’ enkel acht moet worden geslagen op de ‘omzet uit directieverlening en domicilieverlening’. DNB heeft in haar verweerschrift gewezen op de invoering van de Regeling bekostiging Wet toezicht trustkantoren per 1 maart 2004 (de Regeling) en op artikel 8, eerste lid, van de Regeling in het bijzonder. In dit artikel werd als maatstaf voor het in rekening te brengen bedrag ‘de jaarlijkse omzet en overige opbrengsten uit diensten als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de wet (de Wet toezicht trustkantoren (oud))’ gehanteerd. Uit de toelichting op de Regeling van de Minister van Financiën van 26 februari 2004 (Stcrt. 2004, 40) kan worden geconcludeerd dat de omzet en overige opbrengsten die een trustkantoor heeft behaald met werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met het verlenen van trustdiensten voor de toezichtsheffing relevant werden geacht en dat alleen als een trustkantoor bijvoorbeeld onderdeel uitmaakt van een onderneming die ook niet-trustdiensten aanbiedt, de jaarlijkse omzet en overige opbrengsten uit trustdiensten moesten worden gescheiden van andere diensten. Bij de invoering van de Wbft per 1 januari 2013 is over de te verwachten effecten voor de categorie trustkantoren opgenomen dat de bestaande situatie geen verandering ondergaat (Kamerstuk 2011-12, 33057, nr. 3, p. 8). De bedoeling van de bepaling is niet gewijzigd.

4.3.

De wetgever heeft in de wet- en regelgeving, anders dan voor trustkantoren, voor diverse andere onder financieel toezicht staande personen en instellingen wel expliciet een bepaalde omzet-beperking aangebracht en dus wel gekozen voor het (direct) relateren van de voor de heffing relevante omzet aan (bepaalde) vergunde activiteiten of diensten. [...] Nu de wetgever bij trustkantoren niet expliciet een bepaalde omzet-beperking heeft aangebracht, zou de door [naam 1] bepleite omzet-beperking in strijd zijn met de door de wetgever bepaalde systematiek.

4.4.

Gelet op het voorgaande heeft DNB de omzet van [naam 1] en [naam 6] terecht niet beperkt tot (enkel) de omzet vanwege directieverlening en domicilieverlening en heeft DNB terecht de omzet en overige opbrengsten die zijn behaald met werkzaamheden die voorvloeien uit danwel verband houden met het verlenen van trustdiensten betrokken. [...] Niet in geschil is dat [naam 1] domicilie-trustdiensten verleent, zodat ook de omzet uit de aanvullende werkzaamheden die [naam 1] verricht (zoals het beoordelen of controleren van de jaarrekening, het voeren van administratie en het verzorgen van belastingaangiften en daarmee verband houdende werkzaamheden) moet worden meegenomen bij de berekening van de hoogte van de heffing. [...] DNB heeft voorts terecht de overige opbrengsten die zijn behaald met werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met het verlenen van trustdiensten betrokken. Dit betreft onder meer de omzet die [naam 1] genereert uit werkzaamheden die zij verricht om te voldoen aan de eisen onder de Wtt, waaronder compliance-werkzaamheden, auditwerkzaamheden en cliëntenonderzoek.

4.5.

Dat [naam 1] alleen voor de verlening van trustdiensten een (groeps)vergunning heeft verkregen en het te bekostigen door DNB uit te oefenen toezicht alleen hierop betrekking kan hebben, maakt niet dat het onredelijk is dat de toezichtsheffing op de totale (groeps)omzet van [naam 1] is gebaseerd. [...]

4.6.

De rechtbank kan DNB verder volgen in haar standpunt dat de definitie van een trustdienst niet (wettelijk) vereist dat sprake is van het genereren van een winstmarge ten aanzien van iedere als zodanig te kwalificeren dienst. DNB heeft er in het verweerschrift op gewezen dat als hier sprake van zou zijn, trustkantoren zouden kunnen stunten met bijzonder voordelige of zelfs kosteloze domicilieverlening en directieverlening ter vermijding van een (hoge) toezichtsheffing. Trustdiensten zouden dan door de kostenberekening in hun dienstverlening de toezichtsheffing kunnen sturen, wat volgens DNB niet de bedoeling kan zijn (geweest) van de wetgever. De rechtbank kan DNB hierin volgen.

Strijd met hogere regeling en algemene beginselen van behoorlijk bestuur

[...]

Strijd met de Wbft

[...]5.2. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank [naam 1] niet in haar betoog dat het Bbft in strijd is met de Wbft voor zover daarin voor trustkantoren een andere maatstaf wordt gehanteerd voor het bepalen van de omzet dan voor andere instellingen. De rechtbank kan [naam 1] overigens niet volgen in haar stelling dat voor haar niet voorspelbaar was dat zij substantieel hogere toezichtheffingen tegemoet kon zien als zij in enig jaar hogere omzetten genereert die niet vallen onder de reikwijdte van het toezicht door DNB. Uit de toepasselijke wet- en regelgeving volgt dat voor trustkantoren (enkel) wordt gekeken naar de omzet. Daarnaast heeft DNB in haar brief van 24 augustus 2020 aan [naam 1] te kennen gegeven dat een omzetbeperking ten aanzien van enkel directieverlening en domicilieverlening niet zou worden toegepast. [naam 1] had dus ruim voorafgaand aan het heffingsbesluit kunnen vaststellen wat de hoogte van de heffing over het jaar 2020 zou worden.

Strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur

[...]

5.3.1.

Dat sprake is van strijd is met de redelijkheid en billijkheid heeft [naam 1] niet verder toegelicht dan met wat zij hiervoor heeft betoogd. Dit betoog slaagt daarom niet.

5.3.2.

Uit het voorgaande volgt verder dat de toepasselijke wet- en regelgeving voorziet in een grondslag voor het ten aanzien van trustkantoren vaststellen van de toezichtsheffing op basis van de omzet. In de toepasselijke wet- en regelgeving wordt ten aanzien van trustkantoren een andere heffingssystematiek gehanteerd dan ten aanzien van enkele andere onder toezicht staande personen waarbij de wetgever expliciet heeft bepaald dat enkel de omzet moet worden meegenomen die is gerelateerd aan (bepaalde) vergunde activiteiten of diensten. Er is dan ook geen sprake van strijd met de vereisten van wettelijkheid of legaliteit.

5.3.3.

Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is ook geen sprake. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit de definities in de Wbft, het Bbft en de Rbft en de wetstoelichting dat voor trustkantoren de omzet bepalend is en trustkantoren erop bedacht moeten zijn dat bij een toenemende omzet ook de toezichtsheffing stijgt. DNB heeft hier bovendien bij brief van 24 augustus 2020 op gewezen.

5.3.4.

Voorts is geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel. DNB heeft de wet- en regelgeving ten aanzien van de door [naam 1] af te dragen toezichtsheffing toegepast. [...]

5.4.

Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding het Bbft onverbindend te verklaren voor zover daarin voor trustkantoren een andere maatstaf wordt gehanteerd voor het bepalen van de omzet dan voor andere instellingen. De beroepsgrond slaagt niet.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing

Bijlage: Wettelijk kader