College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23-04-2024, ECLI:NL:CBB:2024:291, 21/691
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23-04-2024, ECLI:NL:CBB:2024:291, 21/691
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 23 april 2024
- Datum publicatie
- 23 april 2024
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2024:291
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2021:4414, Overig
- Zaaknummer
- 21/691
- Relevante informatie
- Wet dieren [Tekst geldig vanaf 01-01-2025]
Inhoudsindicatie
Bestuurlijke boetes. Verordening 142/2011. Niet afgedekte recipiënten. De boetes mochten worden opgelegd, omdat de minister op basis van de rapporten van bevindingen terecht heeft vastgesteld dat de slachterij er niet op heeft toegezien dat dierlijke bijproducten werden verzameld in afgedekte recipiënten. De minister heeft overeenkomstig zijn interventiebeleid gehandeld. Geen matiging boetes wegens overschrijding beslistermijn als bedoeld in artikel 5:51 Algemene wet bestuursrecht. Geen halvering boetes op grond van artikel 2.3 Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren, omdat de risico’s voor de volksgezondheid gering zouden zijn. Aanvullende matiging boetes in verband met overschrijding redelijke termijn.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 21/691
(gemachtigde: [naam 2] )
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2021, kenmerk 19/2104, in het geding tussen
de slachterij
(gemachtigde: mr. M. Kool)
Procesverloop in hoger beroep
De slachterij heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2021 (ECLI:NL:RBROT:2021:4414) (aangevallen uitspraak).
De zitting was op 5 december 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens de slachterij haar gemachtigde en namens de minister zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 3] .
Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de minister in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen, namelijk het Specifiek Interventiebeleid Dierlijke bijproducten van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en twee eerdere besluiten waarbij de minister de slachterij boetes heeft opgelegd. Dit heeft de minister bij brief van 5 december 2023 gedaan.
Bij brief van 2 januari 2024 heeft de slachterij hierop schriftelijk gereageerd.
Het College heeft de minister vervolgens de gelegenheid geboden om schriftelijk te reageren op het standpunt van de slachterij. Dit heeft de minister bij brief van 23 januari 2024 gedaan.
Bij brief van 26 februari 2024 heeft de slachterij hierop schriftelijk gereageerd.
Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting.
Het College heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Met twee besluiten van 19 oktober 2018 (boetebesluiten) heeft de minister de slachterij twee afzonderlijke boetes opgelegd van € 2.500,-, elk vanwege overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren in verbinding met artikel 3.3, eerste lid, onder b, van de Regeling dierlijke producten, in samenhang gelezen met artikel 17, eerste lid, en bijlage VIII, hoofdstuk I, afdeling 1, onder punt l, van Verordening (EU) nr. 142/2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten (Verordening 142/2011). De minister verwijt de slachterij in beide boetebesluiten dat zij, als exploitant, er niet op heeft toegezien dat dierlijke bijproducten en/of afgeleide producten voldeden aan de eisen inzake verzameling. In boetezaak 201802256 stond volgens de minister “een volle dolav met opschrift cat 1 met hierin dierlijke bijproducten onafgedekt buiten”. In boetezaak 201802592 stond volgens de minister “een grote plastic bak met als inhoud categorie 3 materiaal, zijnde uiers, onafgedekt buiten”.
Met het besluit van 12 april 2019 (bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister de bezwaren van de slachterij tegen de boetebesluiten ongegrond verklaard en de boetes gehandhaafd.
De minister heeft zijn besluiten gebaseerd op twee rapporten van bevindingen van een toezichthouder van de NVWA.
Boetezaak 201802256
In het op ambtsbelofte opgemaakte rapport van 1 maart 2018 beschrijft de toezichthouder zijn bevindingen bij zijn inspectie op 1 maart 2018, voor zover hier van belang, als volgt:
“Tijdens mijn inspectie bevond ik mij op het terrein van [naam 4] B.V..
Ik zag daar omstreeks 14:30 uur buiten op het terrein een volle dolav (bak) met het opschrift cat 1 en met een duidelijk zichtbare en herkenbare inhoud zijnde dierlijke bijproducten staan. Ik zag dat de dolav met inhoud niet afgedekt was. (zie foto 1).
Omstreeks 15:15 uur zag ik dat een of dezelfde dolav onafgedekt en vol met dierlijke bijproducten op dezelfde locatie stond. Ik zag dat een aantal meeuwen in en op de bak zaten. Ik zag dat de meeuwen pikten in het dierlijke bijproducten materiaal en het op aten. (zie foto 2 en 3).
Ik zag dat tijdens het verzamelen/opslag geen gebruik werd gemaakt van afgesloten recipiënten of voertuigen voor het verzamelen/de opslag van dierlijke bijproducten of afgeleide producten, ter voorkoming van risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid.”
Boetezaak 201802592
In het op ambtsbelofte opgemaakte rapport van bevindingen van 16 maart 2018 beschrijft dezelfde toezichthouder zijn bevindingen bij zijn inspectie op 16 maart 2018, voor zover hier van belang, als volgt:
“Tijdens mijn inspectie bevond ik mij op het terrein van [naam 4] B.V..
Ik zag daar 1 grote plastic bak met als inhoud categorie 3 materiaal, zijnde dierlijke bijproducten, te weten uiers, onafgedekt buiten staan (zie foto 3 en 4). Ik zag dat een dolav (onvolledig) verpakt was met ondoorzichtig blauw plastic. Ik zag dat op dit plastic een sticker geplakt was met o.a. de tekst ‘categorie 3’.
Ik zag dat tijdens het verzamelen/opslag geen gebruik werd gemaakt van afgesloten recipiënten voor de opslag/het verzamelen van dierlijke bijproducten of afgeleide producten, ter voorkoming van risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid.”
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep van de slachterij ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor ‘eiseres’ en ‘verweerder’ respectievelijk de slachterij en de minister moet worden gelezen.
“Boetezaak 201802256
[...]
In hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geen bijzondere omstandigheden gezien die aanleiding geven om de opgelegde boete te matigen of te schrappen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat verwijtbaarheid aan haar kant ontbreekt of dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om de boete te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt in voldoende mate uit het rapport van bevindingen dat eiseres als ondernemer verantwoordelijk was voor het afdekken van het slachtafval in de kleine containers. Verweerder heeft er ter zitting terecht op gewezen dat eiseres niet wordt verweten dat er een storing heeft plaatsgevonden van de grote verzamelcontainer, maar dat haar wel kan worden verweten dat het slachtafval onafgedekt in de kleine containers lag. Eiseres had de overtreding kunnen voorkomen, bijvoorbeeld door de kleine containers zorgvuldig af te dekken waardoor zou worden voorkomen dat het plastic, dat dient om de bak met afval af te dekken, wegwaait.
Uit het rapport van bevindingen van 1 maart 2018 blijkt dat meeuwen van het slachtafval aten. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat geen sprake is van een situatie waarbij de risico’s of de gevolgen van deze overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu gering waren of zelfs ontbraken. De meeuwen kunnen het materiaal verspreiden en zij kunnen dierziekten verspreiden. Dat het hier om vers slachtafval ging, dat niet in de voedselketen terecht zou komen, betekent dus niet dat er geen risico voor de volksgezondheid en diergezondheid is geweest. Gelet op het voorgaande heeft verweerder op goede gronden aan eiseres een boete van € 2.500,- opgelegd.
Boetezaak 201802592
[...]
Ten aanzien van eiseres beroep op artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren verwijst de rechtbank naar hetgeen hierboven in rechtsoverweging 4.2 [lees 4.5, toevoeging door het College] is weergegeven. Verweerder stelt terecht dat geen sprake is van een situatie waarbij de risico’s of de gevolgen van deze overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu gering waren of zelfs ontbraken. Gelet op het voorgaande heeft verweerder op goede gronden aan eiseres een boete van € 2.500,- opgelegd.
[...]
Beide boetezaken
[...]
Wat eiseres naar voren heeft gebracht ten aanzien van de betrokken toezichthoudende dierenarts, die op 1 maart 2018 en op 16 maart 2018 de inspectie heeft verricht, levert naar het oordeel van de rechtbank geen objectieve aanwijzing op dat sprake is geweest van vooringenomenheid bij deze dierenarts. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat verweerder in dit verband heeft toegelicht dat er vaker rapporten van bevindingen worden geschreven over het bedrijf van eiseres door dezelfde dierenarts, omdat deze dierenarts regelmatig op het bedrijf aanwezig is. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat ook andere toezichthoudende dierenartsen van de NVWA boeterapporten hebben opgemaakt ten aanzien van het bedrijf van eiseres, waarover ook procedures bij de rechtbank aanhangig zijn.”
De rechtbank heeft de boetes met 15% gematigd tot een bedrag van € 2.125,- wegens overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer dertien maanden, geheel in de rechterlijke fase. De rechtbank heeft verder bepaald dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de proceskosten voor de behandeling van het verzoek om matiging van de boetes vanwege overschrijding van de redelijke termijn en het door de slachterij betaalde griffierecht moet vergoeden.