College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15-07-2025, ECLI:NL:CBB:2025:372, 23/1824 en 24/107
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15-07-2025, ECLI:NL:CBB:2025:372, 23/1824 en 24/107
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 15 juli 2025
- Datum publicatie
- 15 juli 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2025:372
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2023:8237, Overig
- Zaaknummer
- 23/1824 en 24/107
Inhoudsindicatie
Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). DNB heeft een boete opgelegd aan een trustkantoor wegens het niet melden van een ongebruikelijke transactie. Het College verklaart het hoger beroep dat het trustkantoor tegen de boete heeft ingesteld ongegrond. Het College is van oordeel dat het trustkantoor op het moment van de transactie niet over voldoende informatie beschikte om aan te nemen dat het om een gebruikelijke transactie ging die zij niet hoefde te melden. Het hoger beroep van DNB tegen de door de rechtbank toegepaste matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn slaagt. Het College vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtbank de boete verder heeft gematigd dan € 72.500,-. Het hoger beroep van het trustkantoor tegen de publicatiebesluiten slaagt ook. Het College oordeelt dat DNB opnieuw moet beslissen op de bezwaren die het trustkantoor en de moedermaatschappij tegen de publicatiebesluiten hadden gemaakt.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummers: 23/1824 en 24/107
[trustkantoor 3] , te [plaats 2]
(gemachtigden: mr. G.P. Roth en mr. P. Smith)
en
(gemachtigden: mr. C. de Rond en mr. W.J. Poot)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 augustus 2023, kenmerk ROT 22/176 en ROT 22/3638, in het geding tussen
[trustkantoor 2] en [trustkantoor 3] .
en
DNB
Procesverloop in hoger beroep
[trustkantoor 2] en [trustkantoor 3] , hierna ook samen aangeduid als [trustkantoor 1] , hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 augustus 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:8237) (zaaknummer 23/1824).
Tegen die uitspraak heeft DNB incidenteel hoger beroep ingesteld (zaaknummer 24/107).
[trustkantoor 1] en DNB hebben een reactie op elkaars hogerberoepschriften ingediend.
De zitting was op 15 april 2025. Aan de zitting hebben namens [trustkantoor 1] deelgenomen: de gemachtigden, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] en namens DNB: de gemachtigden, mr. J.S. Roepnarain, S. Post, M.S.L. Bos en N.M.J. van Nieuwenhuizen.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank. Het College volstaat met het volgende.
[trustkantoor 2] is een in Nederland gevestigd trustkantoor en valt onder toezicht van DNB. Zij is een dochter van [trustkantoor 3] .
[trustkantoor 2] was bestuurder van de doelvennootschap [naam 4] ( [naam 4] ). [naam 4] had een aandelenbelang van 10% in [naam 5] ( [naam 6] ). De andere aandeelhouders van [naam 5] waren [naam 7] met een belang van 47,5% en [naam 8] ( [naam 8] ) met een belang van 42,5%. [naam 6] is het hoofd van de [naam 5] . [naam 9] ( [naam 9] ) en [naam 10] ( [naam 10] ) behoorden tot de [naam 5] en waren actief in de handel in olie in of via Kazachstan en Rusland.
In deze zaak draait het om de betaling van [naam 11] ( [naam 11] ) voor consultancydiensten vanuit zijn onderneming [naam 12] ( [naam 12] ) voor [naam 9] (tot en met 2015) en voor [naam 10] (vanaf 2016). [naam 11] bundelde als consultant de door [naam 9] / [naam 10] gekochte kleinere partijen olie uit Kazachstan. Op 4 september 2018 ontving [naam 4] USD 10.000.000,- van [naam 6] als “dividend income [naam 5] ”. Op 6 september 2018 heeft [trustkantoor 2] , in het kader van de door haar voor [naam 4] verrichte trustdiensten, een bedrag van USD 2.699.016,80 van [naam 4] naar [naam 6] overgemaakt met de omschrijving: “BAL payments to [naam 6] re consultancy services settled obo BV” (de transactie).
Aan de transactie liggen twee facturen ten grondslag.
Factuur 1 (USD 232.960) bevat de handgeschreven berekening:
((2 x 1.200.000=) 2.400.000 x 2/3=) 1.600.000 – 1.367.040 = 232.960 USD
De onderliggende facturen van factuur 1 bevatten de volgende informatie:
- -
-
60/07 USD 1.200.000, periode 1-7-15 / 31-12-15, gericht aan [naam 9] ;
- -
-
37/07 USD 1.200.000, periode 1-1-15 / 30-06-15, gericht aan [naam 9] .
Factuur 2 (USD 2.466.056,80) bevat de handgeschreven berekening:
(2 x 1.200.000 =) 2.400.00 + 750.000 + 120.000 + 429.085,20 = 3.699.085,20 en bij omschrijving is vermeld dat het om 2/3 van dit bedrag gaat.
De onderliggende facturen van factuur 2 bevatten de volgende informatie:
- -
-
127/01 USD 1.200.000, periode 1-7-16 / 31-12-16, gericht aan [naam 10] ;
- -
-
96/07 USD 1.200.000, periode 1-1-16 / 30-06-16, gericht aan [naam 10] ;
- -
-
186/01 USD 750.000, periode 1-7-17 / 31-12-17, gericht aan [naam 10] ;
- -
-
157-1/07 USD 120.000, periode 1-1-17 / 30-06-17, gericht aan [naam 10] ;
- -
-
verzoek om bonus van USD 429.085,20 voor 2017, gericht aan [naam 10] .
Op 22 november 2018 heeft [trustkantoor 2] een incidentmelding gedaan aan DNB en aan de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) naar aanleiding van een artikel in de [naam 13] met de titel “ [titel] ”. Dat artikel beschrijft de oliehandel en -industrie in Kazachstan en het risico op corruptie in relatie tot familieleden en vertrouwelingen van de toenmalige president [naam 14] en gaat in op de rol van [naam 6] in relatie tot de schoonzoon van [naam 14] , [naam 15] .
Naar aanleiding van die incidentmelding is DNB een onderzoek gestart. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 27 november 2019.
Op 28 mei 2019 heeft [trustkantoor 2] de transactie als ongebruikelijk gemeld bij de FIU.
Met het besluit van 14 juni 2021 (boetebesluit) heeft DNB een bestuurlijke boete van € 100.000,- aan [trustkantoor 2] opgelegd wegens overtreding van artikel 16, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), omdat [trustkantoor 2] de transactie niet onverwijld als een ongebruikelijke transactie heeft gemeld.
Op 16 juni 2021 heeft DNB besloten tot openbaarmaking van het boetebesluit (publicatiebesluit 1).
Met het besluit van 7 december 2021 (beslissing op bezwaar) heeft DNB de bezwaren van [trustkantoor 2] tegen het boetebesluit en het publicatiebesluit 1 ongegrond verklaard en het bezwaar van [trustkantoor 3] . tegen het publicatiebesluit 1 niet-ontvankelijk verklaard.
Op 23 juni 2022 heeft DNB besloten tot openbaarmaking van de beslissing op bezwaar (publicatiebesluit 2).
[trustkantoor 2] en [trustkantoor 3] hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar en tegen publicatiebesluit 2.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep van [trustkantoor 3] tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar ongegrond verklaard en haar beroep tegen publicatiebesluit 2 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het beroep van [trustkantoor 2] , voor zover gericht tegen de hoogte van de boete, gegrond verklaard en de boete verlaagd tot € 67.500,-. De rechtbank heeft het beroep van [trustkantoor 2] voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft ook het beroep van [trustkantoor 2] tegen publicatiebesluit 2 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft onder 24 en 26 van de uitspraak, samengevat weergegeven, de volgende omstandigheden genoemd die hebben geleid tot de conclusie dat er voor [trustkantoor 2] , mede gelet op de lage drempel tot melden, ten tijde van de transactie (of binnen veertien dagen daarna) aanleiding had moeten bestaan om te veronderstellen dat de transactie verband kon houden met witwassen of terrorismefinanciering:
- de transactie was met hoge risicofactoren omgeven, omdat twee ultimate beneficial owners (UBO’s) van [naam 4] politiek prominente personen (PEP’s) zijn, de consultancydiensten verband hielden met de handel in olie uit Rusland en Kazachstan (hoog niveau van corruptie en andere criminele activiteiten), de kosten voor de consultancydiensten lastig zijn te verifiëren en deze diensten in rekening zijn gebracht vanuit het in Panama gevestigde [naam 12] ;
- de facturen 1 en 2, die aan de transactie ten grondslag liggen, niet passen binnen het door [trustkantoor 2] voor [naam 4] opgestelde transactieprofiel;
- hoewel [naam 4] de kleinste aandeelhouder is, zijn de consultantskosten voor twee derde deel aan haar doorbelast zonder dat daarvoor uit het dienstverleningsdossier (DVD) een goede reden blijkt. Dat mondelinge afspraken later zijn geformaliseerd in een concept side agreement, is niet onderbouwd; ten tijde van de transactie had [naam 4] dat document niet ondertekend en de side agreement verklaart ook niet dat en waarom [naam 6] over 2015 kosten in rekening heeft gebracht en dat [naam 4] die heeft vergoed;
- op 20 juni 2016 sloten [naam 10] en [naam 12] een consultancy agreement. [trustkantoor 2] heeft geen goede verklaring gegeven voor het feit dat die overeenkomst niet bij de aanvang op 1 juni 2016, maar pas op 20 juni 2016 is ondertekend. Deze consultancy agreement ligt ten grondslag aan de vijf facturen die samen de basis vormen van factuur 2. De afspraken uit de consultancy agreement zijn niet nagekomen of er is zonder schriftelijke vastlegging van afgeweken. Volgens die consultancy agreement rekent [naam 12] een fixed fee van USD 200.000,- per maand aan [naam 10] , waarvoor zij iedere maand een factuur met een specificatie en een beschrijving van de in die maand verrichte activiteiten verstuurt. Exceptionele resultaten kunnen leiden tot een bonus die separaat moet worden overeengekomen en gedocumenteerd. [naam 12] stuurde niet maandelijks, maar halfjaarlijks facturen. Die facturen missen specificaties en beschrijvingen van haar consultancydiensten, zodat [trustkantoor 2] op basis daarvan niet heeft kunnen vaststellen dat [naam 12] de kosten in rekening bracht voor een daadwerkelijke tegenprestatie. Daarbij werden er andere bedragen in rekening gebracht dan was overeengekomen. Ook heeft [naam 12] een bonus over 2017 in rekening gebracht, terwijl het bewijs dat zij daarop aanspraak kon maken, ontbreekt.
- niet gebleken is dat [trustkantoor 2] ten tijde van de transactie over de consultancy agreement uit 2014 tussen [naam 12] en [naam 9] beschikte. Dat haar medewerkers [naam 16] en [naam 17] de consultancy agreement uit 2014 kenden en wisten dat deze afspraken gelijkwaardig zijn, is niet onderbouwd. Van de overname van werkzaamheden van [naam 9] door [naam 12] is niets in het DVD terug te vinden. Nu deze consultancy agreement uit 2014 ten grondslag lag aan een aantal facturen van de transactie had [trustkantoor 2] deze moeten bestuderen om de transactie adequaat te beoordelen. Uit het verslag van [naam 18] en de halfjaarlijkse reviews van 19 maart 2018 en 19 augustus 2018 volgt dat het voor [trustkantoor 2] ten tijde van de transactie niet duidelijk was dat de werkzaamheden waren overgegaan in [naam 10] . Die informatie was wel relevant om te kunnen beoordelen of de transactie begrijpelijk en verklaarbaar was.
- de handgeschreven aantekeningen op de facturen 1 en 2 laten zien dat [trustkantoor 2] heeft nagerekend hoe zij tot de factuurbedragen zijn gekomen, maar die aantekeningen laten niet zien dat [trustkantoor 2] wist welke werkzaamheden daar tegenover stonden. Ook uit de correspondentie van [trustkantoor 2] met [naam 20] van 27 mei 2019 en de melding door [trustkantoor 2] van 28 mei 2019 bij de FIU blijkt dat [trustkantoor 2] ten tijde van de transactie over onvoldoende informatie beschikte om te kunnen vaststellen of de betaling aan [naam 12] verband hield met daadwerkelijk verrichte werkzaamheden.
- [naam 6] heeft ook over 2015 kosten doorbelast aan [naam 4] , maar aangezien er in 2016 al een verrekening van de dividenduitkering met gemaakte kosten over 2015 heeft plaatsgevonden, is onverklaarbaar waarom er in 2018 wederom kosten over 2015 zijn doorbelast. De side agreement bood daarvoor geen grondslag.
De rechtbank overweegt verder onder 26 dat [trustkantoor 2] bij de acceptatie van [naam 4] als klant niet stil heeft gezeten, namelijk door onder meer een transactieprofiel op te stellen en [naam 4] als hoog risico te bestempelen, dat [trustkantoor 2] eerder een melding in het dossier heeft gedaan en voorafgaand onderzoek naar de (voorgenomen) transactie heeft gedaan. Desondanks beschikte volgens de rechtbank [trustkantoor 2] ten tijde van de transactie over onvoldoende informatie om te kunnen oordelen dat geen sprake was van een ongebruikelijke transactie. De rechtbank overweegt in dit verband, samengevat weergegeven, dat er op meerdere punten geen verklaring beschikbaar was. Dit geldt voor onder andere het niet opnemen van de transactie als een te verwachten transactie in het transactieprofiel, de bijdrage van [naam 4] in twee derde van de consultancy kosten die niet past bij haar minderheidsbelang, de niet door [naam 4] ondertekende side agreement, de consultancy agreement tussen [naam 10] en [naam 12] over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 die eerst op 20 juni 2016 is opgemaakt en het feit dat de consultancy agreement niet zag op de verrekening over het jaar 2015. De antwoorden op de vragen die [trustkantoor 2] op 5 september 2018 per mail aan [naam 4] heeft gesteld hebben dat ook niet (volledig) opgehelderd. Dat [trustkantoor 2] wel bekend was met de informatie van de consultancy agreement uit 2014 tussen [naam 12] en [naam 9] , omdat [naam 16] en [naam 17] kennis hiervan zouden hebben, kan de gestelde onduidelijkheden evenmin voldoende verklaren. Ook de omstandigheid dat [trustkantoor 2] later opnieuw onderzoek is gaan doen, stelt alsnog opheldering te hebben verkregen van [naam 20] en achteraf voor de genoemde discrepanties mogelijk een verklaring kan geven, laat de overtreding onverlet. Het gaat namelijk om informatie die (ver) na de transactie is verkregen.
Onder 27 overweegt de rechtbank dat de door [trustkantoor 1] in het geding gebrachte rapporten van de door haar geraadpleegde experts [naam 18] , [naam 21] / [naam 18] en [naam 22] niet overtuigen, omdat die rapporten vrijwel geheel gebaseerd zijn op informatie die [trustkantoor 2] na de transactie van [naam 20] en van [naam 23] heeft gekregen in juni 2019, maart 2020 en april 2020. Die rapporten zeggen dus niets over de informatiepositie van [trustkantoor 2] ten tijde van de transactie van 6 september 2018. Ook bestaat er voor een aantal discrepanties nog steeds geen verklaring.
Onder 28 overweegt de rechtbank dat de studie van DNB met de titel “Van herstel naar balans” van 8 september 2022 en een mogelijke toekomstige aanpassing van wetgeving niet kan leiden tot een andere uitkomst in deze zaak.
Onder 33 tot en met 36 verwerpt de rechtbank de stelling van [trustkantoor 2] dat het onderzoek van DNB naar haar dienstverlening niet zorgvuldig is geweest. Volgens de rechtbank heeft DNB een plausibele verklaring gegeven over de aanleiding van haar onderzoek, namelijk de incidentmelding van 22 november 2018. Het onderzoek was gericht op de naleving door [trustkantoor 2] van de Wet toezicht trustkantoren 2018, het Besluit toezicht trustkantoren 2018, de Regeling toezicht trustkantoren, de Wwft, de Sanctiewet 1977 en de Regeling toezicht Sanctiewet 1977.
Omdat [trustkantoor 1] haar poortwachtersrol serieus neemt, aantoonbaar meerdere inspanningen heeft verricht om de overtreding te voorkomen door onderzoek naar de (voorgenomen) transactie te doen, hoewel dat diepgaander had gemoeten, en het de eerste keer is dat DNB vaststelt dat [trustkantoor 2] een ongebruikelijke transactie niet tijdig heeft gemeld, heeft de rechtbank de boete gematigd tot € 75.000,-. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft zij de boete verder met 10% verminderd tot € 67.500,-.
Wat betreft het beroep van [trustkantoor 3] tegen de beslissing op bezwaar waarbij haar bezwaar tegen publicatiebesluit 1 niet-ontvankelijk is verklaard en tegen publicatiebesluit 2, overweegt de rechtbank in 52 en 53 dat [trustkantoor 3] slechts een afgeleid belang bij de publicatiebesluiten heeft en niet rechtstreeks in haar belang wordt geraakt. Dat [trustkantoor 3] een vergelijkbare naam heeft als [trustkantoor 2] , beursgenoteerd is en als moedermaatschappij met de aan [trustkantoor 2] opgelegde boete in verband kan worden gebracht, maakt dat niet anders.
Wat betreft het beroep van [trustkantoor 2] tegen de beslissing op bezwaar, waarbij haar bezwaar tegen publicatiebesluit 1 ongegrond is verklaard, en tegen publicatiebesluit 2, overweegt de rechtbank in 55 tot en met 60 dat DNB verplicht is om een besluit tot het opleggen van een boete volledig openbaar te maken, tenzij bekendmaking van persoonsgegevens onevenredig zou zijn of betrokken partijen in onevenredige mate schade zou worden berokkend. Nu het belang van DNB bij publicatie slechts wijkt voor het belang van [trustkantoor 1] in geval van onevenredigheid of onevenredige schade, dient het in zodanig geval te gaan om een individuele, bijzondere situatie, waarbij de door [trustkantoor 1] als gevolg van de publicatie te verwachten schade zodanig uitzonderlijk is dat het belang van de bescherming van de markt daarvoor moet wijken. Naar het oordeel van de rechtbank stelt DNB terecht dat van een zodanige individuele, bijzondere situatie geen sprake is.