College van Beroep voor het bedrijfsleven, 29-07-2025, ECLI:NL:CBB:2025:394, 23/1694 en 23/1701
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 29-07-2025, ECLI:NL:CBB:2025:394, 23/1694 en 23/1701
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 29 juli 2025
- Datum publicatie
- 29 juli 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2025:394
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2023:6367, Overig
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2023:6366, Overig
- Zaaknummer
- 23/1694 en 23/1701
- Relevante informatie
- Wet bekostiging financieel toezicht 2019 [Tekst geldig vanaf 01-01-2023]
Inhoudsindicatie
Heffingen kosten doorlopend toezicht 2020 DNB voor betaalinstellingen. Exceptieve toetsing. Het College oordeelt dat de begrote kosten voor eenmalige handelingen in 2020 niet in het tarief voor kosten van doorlopend toezicht 2020 mochten worden doorberekend. De tarieven voor betaalinstellingen zoals vastgesteld in de Regeling bekostiging financieel toezicht 2020 zijn in strijd met de Wet bekostiging financieel toezicht 2019 en om die reden onverbindend. Het College draagt DNB daarom op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren van de drie betaaldienstverleners te beslissen. Evenredigheidstoetsing met het oog op de nadere besluitvorming door DNB. Bij de kosten van het doorlopend toezicht 2020 zijn in de categorie betaalinstellingen in aanzienlijke mate kosten van eenmalige handelingen 2019 betrokken via het exploitatiesaldo (exploitatietekort). De keuze van de lagere regelgever om het tekort bij de eenmalige handelingen in 2019 bij de kosten van doorlopend toezicht 2020 door te betrekken voldoet niet aan het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummers: 23/1694 en 23/1701
CURO Payments B.V., te Oss ( CURO )
(gemachtigde: mr. E.F. van Hasselt)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juli 2023, kenmerken 21/3913, 21/3916, 21/3917, 21/3918, 21/3919 en 21/3920, in het geding tussen CURO en OPP
en
(gemachtigden: mr. A. Boorsma en mr. M. Koppenol)
(gemachtigde: mr. E.F. van Hasselt)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juli 2023, kenmerk 21/3708 in het geding tussen CCV
en
Procesverloop in hoger beroep
CURO en OPP hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 21 juli 2023, kenmerken 21/3913, 21/3916, 21/3917, 21/3918, 21/3919 en 21/3920 (ECLI:NL:RBROT:2023:6367), voor zover daarbij uitspraak is gedaan in hun zaken met de nummers 21/3917 en 21/3919. Dit hoger beroep is bij het College geregistreerd onder het nummer 23/1694.
CCV heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 juli 2023, kenmerk 21/3708 (ECLI:NL:RBROT:2023:6366). Dit beroep is bij het College geregistreerd onder het nummer 23/1701.
DNB heeft een reactie op de hogerberoepschriften ingediend.
Het College heeft de zaken gevoegd behandeld.
De zitting was op 11 maart 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen. Namens OPP was aanwezig [naam 1] en namens CCV [naam 2] . Voor DNB waren verder aanwezig mr. [naam 3] , mr. [naam 4] en [naam 5] .
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedures, de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, en het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. Het College volstaat met het volgende.
CURO , OPP en CCV zijn betaaldienstverleners in de zin van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en staan onder het toezicht van DNB (hierna ook: betaalinstellingen). DNB heeft over het jaar 2020 bij ieder van hen op grond van de Wet bekostiging financieel toezicht 2019 (Wbft 2019) een heffing voor doorlopend toezicht in rekening gebracht (heffingsbesluiten reguliere toezichtkosten betaalinstellingen). DNB heeft de heffingen gebaseerd op hun bruto provisie-inkomsten uit 2019. DNB is in haar besluitvorming uitgegaan van de volgende inkomsten en heeft de heffingskosten 2020 als volgt vastgesteld:
|
Betaalinstellingen |
Bruto provisie-inkomsten |
Heffingskosten |
|
CURO |
€ 4.366.600 ,- |
€ 222.962 ,- |
|
OPP |
€ 2.486.813 ,- |
€ 157.914 ,- |
|
CCV |
€ 29.926.269 ,- |
€ 467.514 ,- |
De betaalinstellingen hebben tegen de heffingsbesluiten bezwaar gemaakt.
Met de besluiten van respectievelijk 24 mei 2021 (ten aanzien van CCV ) en 2 juni 2021 (ten aanzien van CURO en OPP ) (bestreden besluiten) heeft DNB de heffingsbesluiten gehandhaafd.
DNB heeft zich in de bestreden besluiten op het standpunt gesteld dat zij de hoogte van de heffingen reguliere toezichtkosten betaalinstellingen op basis van de wet- en regelgeving juist heeft vastgesteld. DNB is er op grond van dwingendrechtelijke wet- en regelgeving toe gehouden om deze heffingen bij de betaalinstellingen in rekening te brengen en DNB kan niet van de tarieven afwijken die door de wetgever zijn vastgesteld. Vergeleken met het jaar 2019 zijn de heffingskosten gestegen, omdat de ZBO-begroting 2020 is verhoogd, er over 2019 een exploitatietekort was dat in de heffingen voor 2020 is verdisconteerd en ook de bruto-provisie-inkomsten van OPP en CCV in 2020 zijn gestegen. Dat in de heffingen voor doorlopend toezicht ook kosten van DNB voor eenmalige handelingen zijn betrokken, is volgens DNB in overeenstemming met de Wbft 2019.
Uitspraken van de rechtbank
De rechtbank heeft de beroepen van de betaalinstellingen ongegrond verklaard. De twee uitspraken zijn, voor zover voor het hoger beroep van belang, in hun strekking gelijkluidend. De rechtbank heeft – kort samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende geoordeeld.
DNB heeft niet in strijd met de Wbft 2019 gehandeld door het negatieve exploitatiesaldo dat over 2019 in de categorie betaalinstellingen is ontstaan bij de eenmalige handelingen in de kosten van doorlopend toezicht voor de betaalinstellingen over het jaar 2020 op te nemen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat artikel 14, eerste lid, van de Wbft 2019, waarin is bepaald dat een vergoeding verschuldigd is voor het verrichten van een eenmalige handeling, DNB niet verplicht om alle kosten die gemoeid zijn met de eenmalige handelingen aan de aanvragers van die handelingen door te berekenen. Een vergoeding hoeft niet per se kostendekkend te zijn en dit is ook niet door de wetgever beoogd. DNB is op grond van artikel 13 van de Wbft 2019 wel gehouden alle begrote kosten van toezicht door te belasten. Dat betekent dat de resterende kosten die DNB niet aan de betreffende aanvragers heeft kunnen doorbelasten, bij de reguliere toezichtkosten mogen worden betrokken. Een tekort op de post ‘eenmalige handelingen’ uit het vorige jaar kan dus op die manier in het volgende jaar via het doorlopend toezicht bij onder toezicht staande personen worden doorbelast en kan dus aan een stijging van de toezichtkosten bijdragen.
Van strijd met het profijtbeginsel is, anders dan de betaalinstellingen hebben aangevoerd, geen sprake. Het exploitatiesaldo is onderdeel van de kostenberekening van doorlopend toezicht en valt daarom onder systeemprofijt. De rechtbank heeft – onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 23 juni 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BR0231) – overwogen dat ook onder toezicht staande instellingen bij incidentele toezichthandelingen in algemene zin profijt hebben. Niet aannemelijk is gemaakt dat van een dergelijk profijt geen sprake is of dat dit profijt in een onevenredige verhouding staat tot de extra heffingskosten die de betaalinstellingen in 2020 moeten betalen vanwege het exploitatietekort bij eenmalige handelingen.
De heffingen zijn niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Weliswaar is sprake van een (zeer) substantiële stijging, maar dat alleen maakt de heffingen niet disproportioneel. De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat de kostenheffing voor CURO , OPP en CCV in relatie tot hun omzetten onevenredig is, omdat DNB heeft uitgerekend dat de kostenheffing voor CURO 4 %, voor OPP 4,9 % en voor CCV 0,32 % van hun jaaromzetten uitmaakt.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat van de door de betaalinstellingen omschreven strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) of het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geen sprake is.