College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-11-2025, ECLI:NL:CBB:2025:625, 23/1718
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-11-2025, ECLI:NL:CBB:2025:625, 23/1718
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 25 november 2025
- Datum publicatie
- 25 november 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2025:625
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2023:4565, Overig
- Zaaknummer
- 23/1718
- Relevante informatie
- Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 09-12-2025 tot 01-01-2030]
Inhoudsindicatie
Meststoffenwet, boete wegens overtreding van de mestverwerkingsplicht. Fosfaatgehalte na mestscheiding. Geanalyseerde fosfaatgehalten ‘dikke koek’ sluiten niet aan met het fosfaatgehalte van de voor de scheiding gebruikte opgeslagen mest. De minister mocht uitgaan van beredeneerde waarden vanuit het gemiddelde fosfaatgehalte van de opgeslagen mest. Redelijke termijn.
Uitspraak
uitspraak
Zaaknummer: 23/1718
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 november 2025 op het hoger beroep van:
(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 augustus 2023, kenmerk 21/3289, in het geding tussen
de minister
(gemachtigde: mr. J.T. Fuller)
en
de Staat der Nederlanden (de minister voor van Justitie en Veiligheid) (de Staat)
Procesverloop in hoger beroep
De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (de rechtbank) van 9 augustus 2023 (ECLI:NL:RBGEL:2023:4565, de aangevallen uitspraak).
De veehouder heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Op 30 september 2024 heeft de minister het bij de rechtbank bestreden besluit van 1 juni 2021 (het bestreden besluit) gewijzigd. Met een brief van 22 oktober 2024 heeft de minister de gronden voor het hoger beroep aangepast.
Op 8 november 2024 heeft de veehouder gereageerd op de herziene beslissing op bezwaar. De veehouder heeft tegen die gewijzigde beslissing beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroepschrift doorgestuurd naar het College.
Op 30 december 2024 heeft de veehouder gereageerd op de wijziging van de hogerberoepsgronden. Met de brief van 29 april 2025 heeft de minister daarop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2025. Daar zijn verschenen de veehouder, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van de minister.
Grondslag van het geschil
De veehouder exploiteert een vleesvarkensbedrijf. Uit een administratieve controle op de naleving van de Meststoffenwet (Msw) kwam naar voren dat voor het jaar 2016 zes vrachten ‘koek na mestscheiding’ (mestcode 43) van de veehouder zijn geregistreerd met onverwacht hoge fosfaatgehaltes. De minister heeft deze vrachten uitgesloten in de berekening voor de mestverwerkingsplicht waardoor de veehouder de eigen mestverwerkingsplicht met 996 kg en de overgenomen mestverwerkingsplicht met 2.900 kg zou hebben verzaakt.
Met het besluit van 10 december 2020 (het boetebesluit) heeft de minister daarom aan de veehouder een boete opgelegd van € 40.713,20 wegens overtreding van de Msw,20 wegens overtreding van de . Met het bestreden besluit op het bezwaar van de veehouder, heeft de minister de boete verlaagd naar € 15.288,35, doordat de minister vijf van de zes afgevoerde vrachten ‘koek na mestscheiding’ alsnog, uitgaande van een geschat fosfaatgehalte, heeft meegenomen in de berekening voor de mestverwerkingsplicht. De zesde vracht bleef (nog steeds) buiten de berekeningen, omdat het door de veehouder opgegeven fosfaatgehalte (34,11 kg/ton) uitstijgt boven de absolute technische bovengrens (31 kg/ton).
In beroep heeft de minister verder met een herberekening het scheidingsrendement van 70% naar 78% verhoogd waardoor de veehouder 2.712 kg fosfaat heeft verwerkt en hij voor 1.184 kg fosfaat niet heeft voldaan aan zijn mestverwerkingsplicht. Dit zou volgens de minister moeten resulteren in een boete van € 13.024,-, die vanwege de lange behandelingsduur met 5% moet worden gematigd tot € 12.372,80.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het boetebesluit herroepen en de boete vastgesteld op nul. Zij heeft namelijk geoordeeld dat de minister de zesde vracht had moeten meenemen als afvoer, ook al overstijgt het fosfaatgehalte de technische bovengrens. De rechtbank volgt de minister weliswaar in zijn standpunt dat sprake is van een schijnconstructie (onder 7.2.2 van de aangevallen uitspraak), maar overweegt dan dat dit de minister er niet van mag weerhouden om een beredeneerde schatting van het fosfaatgehalte van de zesde vracht te maken en deze (alsnog) te betrekken in de berekening of (en in hoeverre) is voldaan aan de mestverwerkingsplicht.
Omdat de minister weigerde gebruik te maken van de mogelijkheid om zo’n berekening of schatting uit te voeren, heeft de rechtbank afgezien van de toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geconcludeerd dat daardoor niet vaststaat dat niet is voldaan aan de mestverwerkingsplicht en om die reden de opgelegde boete herroepen.