Home

Centrale Raad van Beroep, 14-01-2026, ECLI:NL:CRVB:2026:80, 25/195 WIA

Centrale Raad van Beroep, 14-01-2026, ECLI:NL:CRVB:2026:80, 25/195 WIA

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14 januari 2026
Datum publicatie
30 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:80
Zaaknummer
25/195 WIA

Inhoudsindicatie

Het gaat in deze zaak over de (na)betaling van de WAO-uitkering van appellant en de schade die appellant stelt te hebben geleden. De Raad volgt appellant in zijn stelling dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn verzoek om schadevergoeding. De Raad gaat hier wel op in, maar wijst dit verzoek af.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2024, 20/5254 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 januari 2026

Het gaat in deze zaak over de (na)betaling van de WAO-uitkering van appellant en de schade die appellant stelt te hebben geleden. De Raad volgt appellant in zijn stelling dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn verzoek om schadevergoeding. De Raad gaat hier wel op in, maar wijst dit verzoek af.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Met een besluit van 7 juli 2020 heeft het Uwv de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant beëindigd per 1 juni 2020, omdat er geen bankrekeningnummer is opgegeven dat op naam van appellant staat waar de uitkering naartoe kan worden overgemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 1 september 2020 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 30 juni 2021 heeft het Uwv het bezwaar alsnog gegrond verklaard, het besluit van 7 juli 2020 ingetrokken en appellant meegedeeld dat zijn uitkering kan worden uitbetaald als hij een schriftelijke machtiging heeft afgegeven om de uitkering uit te betalen op een bankrekening van een ander. Met een brief van 6 januari 2022 heeft de rechtbank partijen laten weten dat het beroep van appellant van 21 september 2020 wordt beschouwd als gericht tegen het herziene bestreden besluit van 30 juni 2021 (bestreden besluit 2). Met een brief van 3 juni 2022 heeft het Uwv appellant een aantal zaken meegedeeld, waaronder het vereiste dat een machtigingsformulier door de gemachtigde moet zijn ondertekend en een kopie van een geldig identiteitsbewijs moet zijn bijgevoegd. Hangende het beroep heeft appellant de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant geen belang meer bij een oordeel over bestreden besluit 1, omdat met het bestreden besluit 2 zijn bezwaar alsnog gegrond is verklaard en het Uwv heeft erkend dat hij appellant wel via een machtiging zijn uitkering kan uitbetalen. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 2 in stand gelaten. Het Uwv heeft toegelicht dat appellant onder meer een geldig bankrekeningnummer moet aanleveren en een machtigingsformulier moet overleggen. De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat appellant het machtigingsformulier inmiddels heeft ingevuld en ter zitting aan de griffier heeft overhandigd. Het Uwv heeft daarop ter zitting gereageerd door te verwijzen naar een brief van 3 juni 2022. Ook is ter zitting bevestigd door het Uwv dat geen sprake kan zijn van uitbetaling van de uitkering via een cheque, omdat dat geen vaste werkwijze is van het Uwv dan wel in ieder geval niet meer in de huidige tijd. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv vanaf medio 2021 in brieven aan appellant heeft uiteengezet wat hij moest doen om zijn uitkering uitbetaald te krijgen. Dat appellant hiervan om hem moverende redenen (een geschil met het CAK en een bank) al jaren heeft afgezien komt voor rekening en risico van appellant. Er bestaat geen recht om per cheque te worden uitbetaald. Voor het overige heeft appellant geen gronden aangevoerd tegen bestreden besluit 2. De rechtbank heeft overwogen dat zij niet zal ingaan op de gronden van appellant, voor zover deze zien op zijn verzoek tot schadevergoeding. Dit verzoek heeft het Uwv met een besluit van 21 november 2023 afgewezen en kan daarom naar het oordeel van de rechtbank in deze procedure niet aan de orde komen.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING

(getekend) D.S. de Vries