Home

Gerechtshof Amsterdam, 09-09-2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3833, 200.129.892-01

Gerechtshof Amsterdam, 09-09-2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3833, 200.129.892-01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
9 september 2014
Datum publicatie
20 november 2014
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2014:3833
Formele relaties
Zaaknummer
200.129.892-01

Inhoudsindicatie

partneralimentatie, berekening aanvullende behoefte en draagkracht,(vroeg)pensioen

Uitspraak

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 9 september 2014

Zaaknummer: 200.129.892/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/194321 / FA RK 12‐2413

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende te[woonplaats], [gemeente],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. P.J.H. Vinke te Hoofddorp,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te[woonplaats]),

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. S.F. Yap te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 8 juli 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 april 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/194321 / FA RK 12‐2413.

1.3.

De man heeft op 4 september 2013 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De vrouw heeft op 14 oktober 2013 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de man ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 1 november 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De man heeft op 4 november 2013 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 13 november 2013 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

1.8.

Na de zitting heeft de vrouw bij brief van 26 november 2013 nog stukken aan het hof toegezonden. De man heeft daarvan afschriften ontvangen en heeft daarop bij faxbrief van 29 november 2013 schriftelijk gereageerd.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 28 december 1971 gehuwd. Hun huwelijk is op 17 januari 2006 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 15 november 2005 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking is een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 1.835,- per maand, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren op 9 juli 1947. Hij leeft samen met zijn echtgenote.

Zijn echtgenote voorziet in eigen levensonderhoud.

In de periode van 1 augustus 2009 tot 1 augustus 2012 maakte hij gebruik van een prepensioenregeling. Op 1 augustus 2012 is hij met ouderdomspensioen gegaan. Zijn pensioenuitkering bedroeg € 2.194,- bruto per maand.

Zijn Nederlandse AOW bedraagt € 694,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, te verhogen met de zogenoemde KOB‐uitkering van € 28,- bruto per maand. Zijn Deense AOW bedraagt € 17,- netto per maand.

Aan (nominale) premie voor een zorgverzekering betaalt hij – gecorrigeerd met de woonlandfactor voor Denemarken – € 76,- per maand.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren op 4 juni 1952. Zij is alleenstaand.

Met ingang van 1 augustus 2012 ontvangt zij € 1.444,- bruto per maand als aandeel in het ouderdomspensioen van de man.

3 Het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is bepaald, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 15 november 2005, dat de man aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud € 480,- per maand zal voldoen, met ingang van 1 augustus 2012.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 15 november 2005, de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op nihil te stellen, met ingang van 15 januari 2005, althans met ingang van de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, althans met ingang van 1 augustus 2012, met veroordeling van de vrouw tot restitutie van het te veel betaalde. Deze beschikking is voorts gegeven op het verzoek van de vrouw, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 15 november 2005, een uitkering tot haar levensonderhoud te bepalen conform het juiste inkomen van de man per 17 januari 2006.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de man niet‐ontvankelijk te verklaren in zijn inleidend verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen, dan wel de door de man aan haar te betalen uitkering tot haar levensonderhoud op een hoger bedrag dan € 480,- per maand te bepalen met ingang van de datum van de te wijzen beschikking en op € 3.000,- per maand te bepalen in de periode van 17 januari 2006 tot aan de datum van de te wijzen beschikking, dan wel 1 augustus 2012.

Ter zitting in hoger beroep heeft zij haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij thans verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de door de man aan haar te betalen uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van 1 augustus 2012 in ieder geval vast te stellen op een hoger bedrag dan € 480,- per maand en over de periode van 17 januari 2006 tot en met 1 augustus 2012 opnieuw vast te stellen op een hoger bedrag dan € 1.835,- per maand, te weten op € 2.000,- per maand.

3.3.

De man verzoekt in principaal hoger beroep de bestreden beschikking te bekrachtigen, voor zover daarbij – naar het hof begrijpt – de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 augustus 2012 is verlaagd.

In incidenteel hoger beroep verzoekt de man, met vernietiging van de bestreden beschikking, voor zover daarbij – naar het hof begrijpt – geen rekening is gehouden met zijn extra medische kosten die niet door de ziektekostenverzekering worden vergoed en zijn feitelijke woonkosten en voor zover daarbij zijn verzoek tot nihilstelling van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang 15 januari 2005, met veroordeling van de vrouw tot restitutie van het te veel betaalde, is afgewezen:

- primair: met inachtneming van de juiste inkomensgegevens van de vrouw ten tijde van de echtscheidingsprocedure haar behoefte opnieuw te bepalen alsmede de bij beschikking van 15 november 2005 vastgestelde uitkering tot haar levensonderhoud overeenkomstig op nihil te stellen, dan wel op een lager bedrag dan € 1.835,- per maand en ter verrekening van de met ingang van 15 november 2005 te veel betaalde partneralimentatie deze met ingang van 1 augustus 2012 op nihil te stellen, althans te bepalen dat eventueel onverschuldigd betaalde partneralimentatie over de periode van 15 november 2005 tot 1 augustus 2012 door hem mag worden verrekend met door hem eventueel verschuldigde alimentatietermijnen na 1 augustus 2012;

- subsidiair: de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, rekening houdend met de door hem gestelde extra medische kosten die niet door de ziektekostenverzekering worden vergoed alsmede de door hem gestelde feitelijke woonkosten, met ingang van 1 augustus 2012 vast te stellen op een lager bedrag dan € 480,- per maand en te bepalen dat de wettelijke indexering van de alimentatie per 1 januari van ieder jaar zal worden uitgesloten voor onbepaalde tijd, althans zolang het ABP de pensioenen jaarlijks verlaagt, respectievelijk bevroren houdt.

3.4.

De vrouw verzoekt – naar het hof begrijpt – de man niet‐ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in incidenteel hoger beroep, althans het door hem verzochte af te wijzen.

4 Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

5 Beslissing