Gerechtshof Amsterdam, 15-08-2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3300, 200.200.442/01
Gerechtshof Amsterdam, 15-08-2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3300, 200.200.442/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 15 augustus 2017
- Datum publicatie
- 29 augustus 2017
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2017:3300
- Zaaknummer
- 200.200.442/01
Inhoudsindicatie
Kinderalimentatie, aandeel stiefouder.
Uitspraak
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.200.442/ 01
zaaknummer rechtbank: C/15/236202 / FA RK 15-7522
beschikking van de meervoudige kamer van 15 augustus 2017 inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats a] , België,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M.B. Winthagen te IJsselstein,
en
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats b] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. I. Vledder te Amsterdam.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 20 juli 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
De man is op 5 oktober 2016 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 juli 2016.
De vrouw heeft op 16 november 2016 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de man van 24 april 2017 met bijlagen, ingekomen op 25 april 2017;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 25 april 2017 met bijlagen, ingekomen op 26 april 2017;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 2 mei 2017 met bijlagen, ingekomen op 3 mei 2017.
De mondelinge behandeling heeft op 8 mei 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
3 De feiten
Partijen hebben van november 1995 tot augustus 2004 een relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen is geboren [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), [in] 2002. De vrouw oefent van rechtswege het gezag uit over [de minderjarige] . De man heeft [de minderjarige] erkend.
Bij beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 januari 2005 is, voor zover in dit kader van belang, bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: de kinderbijdrage) dient te voldoen van € 430,- per maand met ingang van 1 september 2004.
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.
De man is geboren [in] 1968. Hij is sinds oktober 2004 woonachtig in België en is [in] 2005 in het huwelijk getreden met mevrouw [Y] .
Hij was tot 1 april 2014 in dienst bij [werkgever] . Blijkens de vaststellingsovereenkomst met genoemde werkgever bedroeg zijn laatstgenoten salaris bij ontslag € 4.425,- bruto per maand exclusief vakantietoeslag (€ 57.556,- per jaar) en heeft de man een beëindigingsvergoeding ontvangen van € 13.275,- bruto. De man is medeaandeelhouder van de gewone commanditaire vennootschap (hierna: de GCV) naar Belgisch recht genaamd [de onderneming] . De GCV heeft drie zaakvoerders, de man, zijn echtgenote en de heer [A] . De man bezit 49% van de aandelen, zijn echtgenote bezit eveneens 49%. De man en zijn echtgenote bezitten gezamenlijk ook 1% van de aandelen. De overige 1% berust bij de heer [B] .
Uit de overgelegde (concept)jaarstukken van [de onderneming] van de jaren 2015, 2014 en 2013 blijken de volgende cijfers (in euro’s):
2013 2014 2015
Omzet € 9.730,00 € 73.901,45 € 159.981,06
Bedrijfskosten € 8.791,53 € 35.529,20 € 109.155,86
Eigen vermogen € 23.604,19 € 6.111,49 € 34.173,89
Bedrijfsresultaat € 898,86 € 36.244,22 € 44.144,12
2013 2014 2015
Winst boekjaar na belasting € 898,33 € 29.715,68 € 28.062,40
De man heeft stukken overgelegd waaruit zijn maandelijkse bezoldiging uit de GCV vanaf januari 2016 blijkt. De periodieke bezoldiging van de man is op grond van deze productie € 2.000,- bruto per maand. De netto bezoldiging bedraagt € 1.400,-.
Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.
De vrouw is geboren [in] 1974. [de minderjarige] woont bij haar. Zij is [in] 2015 gehuwd met de heer [X] (hierna: [X] ). Niet in geschil tussen partijen is dat [X] vanaf die datum mede-onderhoudsplichtig is jegens [de minderjarige] .
Zij is werkzaam in loondienst bij de [stichting] . De vrouw had – blijkens de door haar overgelegde aanslag inkomstenbelasting 2015 – een bruto jaarloon van € 22.382,-. Blijkens haar jaaropgave 2016 had zij een fiscaal loon van € 23.060,- in dat jaar.
[X] heeft, blijkens de door de vrouw overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2015 in dat jaar een fiscale winst uit zijn eenmanszaak [de eenmanszaak] van € 7.003,-. In 2016 bedroeg de winst € 11.232,-. [X] had daarnaast inkomsten uit loondienst bij [bedrijf] van € 40.398,- bruto in 2015. In 2016 had [X] een fiscaal loon blijkens zijn jaaropgave van € 40.972,-.