Gerechtshof Amsterdam, 17-05-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1618, 23-001840-17
Gerechtshof Amsterdam, 17-05-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1618, 23-001840-17
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 17 mei 2018
- Datum publicatie
- 21 juni 2018
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2018:1618
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:60, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 23-001840-17
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor medeplegen van doodslag en voor medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001840-17
datum uitspraak: 17 mei 2018
TEGENSPRAAK (raadsman gemachtigd)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers
13-693002-12 (zaak A) en 13-706118-17 (zaak B) tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
adres: [adres 1]
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
5 en 6 april 2018 en 7 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is door verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep
De raadsman van verdachte heeft het hof verzocht het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, nu diens appelschriftuur te laat is ingediend.
Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de officier van justitie op 24 mei 2017 hoger beroep heeft ingesteld tegen voormeld vonnis. Een voorlopige, zeer summiere appelschriftuur, waarin een nadere toelichting wordt aangekondigd, is eerst op 26 juni 2017, twee en een halve week later dan de daarvoor in de wet gestelde termijn, ingediend. Een nadere appelschriftuur is gedateerd 13 maart 2018 en door het hof per e-mail ontvangen op 15 maart 2018, drie weken voor de aanvang van de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.
De advocaat-generaal heeft verklaard dat de reden voor de te late indiening was gelegen in intensief overleg over deze zaak tussen de officier van justitie en de politie dat na de uitspraak in eerste aanleg is gevoerd. De advocaat-generaal heeft, verwijzend naar het belang van behandeling van het appèl in deze ernstige zaak, geconcludeerd dat het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep ontvankelijk is.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De regeling met betrekking tot het instellen van appel en het indienen van een appelschriftuur door het openbaar ministerie luidt, voor zover van belang, als volgt:
Artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv):
De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen.
De schriftuur wordt onverwijld bij de processtukken gevoegd.
Ingeval hoger beroep is ingesteld door de officier van justitie, geeft de advocaat-generaal bij gelegenheid van de voordracht der zaak mondeling een toelichting op de bezwaren tegen het vonnis. De advocaat-generaal geeft in voorkomende gevallen tevens op waarom door de officier van justitie geen schriftuur houdende grieven is ingediend.
Indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in artikel 410, eerste lid, is ingediend, kan het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.
In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer 2005-2006, 30320, nr. 3) wordt omtrent vorenstaande het volgende opgemerkt:
p. 11-12:
Van de verdachte kan niet zonder meer gevergd worden een schriftelijke appèlmemorie in te dienen. Wel acht ik het redelijk en haalbaar om de officier van justitie die appèl instelt te verplichten een schriftelijke appèlmemorie in te dienen. Artikel 410 van het Sv wordt hiertoe dwingender geformuleerd, zoals ook is geopperd door de Werkgroep hoger beroep en verzet. Door de verplichting tot het afleggen van verantwoording ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de redenen voor het eventueel achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie wordt daarnaast duidelijk gemaakt, dat het indienen van een appèlmemorie is aangewezen (artikel 416, eerste lid, nieuw).
(...)
p. 12:Indien geen schriftuur wordt ingediend kan de beslissing tot niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep volgen (artikel 416, derde lid). Er is in een dergelijk geval sprake van een vormverzuim. Een automatisch volgende niet-ontvankelijkheid verdient naar mijn oordeel geen voorkeur. Hoezeer het achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie ook mag worden betreurd, het belang van het appèl kan, ook maatschappelijk bezien, van groter belang zijn dan de scherpe sanctionering van een in beginsel herstelbare tekortkoming.
p. 51:
Het derde lid (van artikel 416 Sv) schept de mogelijkheid een door het openbaar ministerie ingesteld hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk te verklaren op de enkele grond dat geen schriftuur, houdende grieven tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis, is ingediend. Indien door de officier van justitie geen appelschriftuur is ingediend is er sprake van een vormverzuim.
In zijn arrest van 2 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK0910) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat het bepaalde in artikel 416 lid 3 Sv mede van toepassing is op een geval als het onderhavige, waarin de schriftuur niet tijdig is ingediend. De rechter dient dan een belangenafweging te maken, waarbij moet worden bezien of het belang van het appel zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie tijdig een appelschriftuur in te dienen.
In de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat dit het geval is, ondanks dat de advocaat-generaal naar het oordeel van het hof geen toereikende opgave van redenen voor de te late indiening heeft gedaan. Overleg van de officier van justitie met de politie ná de uitspraak in eerste aanleg kan immers bezwaarlijk als zodanig worden aangemerkt. Bovendien is de aanvullende appelschriftuur in een nauwelijks aanvaardbaar laat stadium ingediend. Deze gang van zaken valt ten zeerste te betreuren, nu het in deze zaak gaat om de verdenking van een levensdelict en de belangen, in het bijzonder die van de nabestaanden, buitengewoon groot zijn. Het is daarom dat het hof van oordeel is dat het belang van de strafrechtelijke rechtshandhaving in het algemeen, en van de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep in het bijzonder, in casu boven het belang van sanctionering van het verzuim dient te worden gesteld.
Het openbaar ministerie is ontvankelijk in het hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte in zaak B
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bij pleidooi – samengevat weergegeven – verzocht het openbaar ministerie
niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van verdachte voor het in zaak B ten laste gelegde feit. Volgens de raadsman heeft het openbaar ministerie gehandeld in strijd met het specialiteitsbeginsel, neergelegd in artikel 27 van het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (2002/584/JBZ, hierna: het Kaderbesluit). De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat, anders dan het geval was ten tijde van de behandeling van de zaak tegen verdachte bij de rechtbank in eerste aanleg, de Ierse autoriteiten inmiddels onherroepelijk toestemming hebben geweigerd voor de vervolging van verdachte ter zake van feit B.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gesteld dat hij niet heeft kunnen verifiëren of de weigering van de Ierse autoriteiten om aanvullende toestemming te verlenen inmiddels onherroepelijk is. Maar ook al zou dat het geval zijn, dan staat dit niet in de weg aan de vervolging en berechting van verdachte voor feit B. In geval van een veroordeling voor dit feit zal voor de executie van een eventuele daarvoor op te leggen vrijheidsstraf opnieuw aanvullende toestemming moeten worden verkregen, aldus de advocaat-generaal.
Overwegingen van het hof
Het hof stelt, voor zover van belang voor de bespreking en de beoordeling van het verweer, de volgende feiten vast.
Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) feit A (moord/doodslag op [slachtoffer] )
- -
-
op 11 juni 2011 is door de officier van justitie een EAB uitgevaardigd betreffende de verdachte ter zake van de moord/doodslag op [slachtoffer] in februari 2009 (feit A);
- -
-
verdachte is voor dit feit op 3 oktober 2011 in Ierland aangehouden en heeft daar overleveringsdetentie ondergaan;
- -
-
verdachte is op 3 juli 2015 aan Nederland overgeleverd en in verzekering gesteld. Op 6 juli 2015 heeft de raadkamer van de rechtbank Amsterdam de gevangenneming van verdachte bevolen. Overwogen is dat er ernstige bezwaren tegen hem waren gerezen en dat op het vermoedelijk begane feit een gevangenisstraf van meer dan 12 jaar is gesteld en de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt;
- -
-
met ingang van 18 juli 2016 heeft de rechtbank Amsterdam de voorlopige hechtenis van verdachte – onder voorwaarden – geschorst;
- -
-
bij vonnis van 15 mei 2017 is verdachte door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van feit A en het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven.
Aanvullend EAB inzake feit B (medeplegen van het onttrekken van een lijk aan nasporing)
- -
-
op 5 januari 2016 is door de officier van justitie een aanvullend Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd “Voor het medeplegen van het onttrekken van een lijk aan nasporing”. Hierbij is aan de Ierse autoriteiten aanvullende toestemming verzocht om verdachte ook ten aanzien van dit feit te mogen vervolgen;
- -
-
bij voornoemd vonnis van 15 mei 2017 is verdachte door de rechtbank Amsterdam ter zake van feit B veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren met aftrek van, kort gezegd, voorarrest en overleveringsdetentie;
- -
-
tegen het vonnis van 15 mei 2017 is zowel door verdachte als door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld;
- -
-
verdachte is gedagvaard voor de behandeling van het hoger beroep op 5 en 6 april 2018 ter zake van de feiten A en B;
- -
-
in een schrijven van het Ierse Department of Justice and Equality, Central Authority for the European Arrest Warrant van 29 november 2017 is meegedeeld dat toestemming voor de vervolging - naar het Hof begrijpt ter zake van feit B - op 26 oktober 2017 is geweigerd door het Ierse Hooggerechtshof “on the basis that mr. [verdachte] , having been prosecuted and convicted, did not have a sentence to serve”, maar dat de Ierse staat voornemens is tegen dit oordeel beroep in te stellen;
- -
-
ter terechtzitting in hoger beroep op 6 april 2018 heeft de raadsman van verdachte een brief overgelegd afkomstig van mrs. [naam 1] , Chief State Solicitor, gedateerd 4 april 2018 waaruit blijkt dat tegen de beslissing van het Ierse Hooggerechtshof van 26 oktober 2017 geen rechtsmiddel is aangewend.
Toetsingskader
Artikel 27 van het Kaderbesluit houdt, voor zover hier van belang, in:
Eventuele vervolging voor andere strafbare feiten
2. Behoudens in de in lid 1 en lid 3 bedoelde gevallen wordt een overgeleverd persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest.
3. Lid 2 is niet van toepassing in gevallen waarin:
...
b) de feiten niet strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.
c) de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die zijn persoonlijke vrijheid beperkt;
...
g) de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de gezochte persoon overgeleverd heeft,
overeenkomstig lid 4 daartoe toestemming geeft.
4. Een verzoek tot toestemming wordt bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit ingediend, bevat de gegevens bedoeld in artikel 8, lid 1, en gaat vergezeld van een vertaling als bedoeld
in artikel 8, lid 2. De toestemming wordt verleend indien het strafbaar feit waarvoor zij wordt verzocht op zichzelf de verplichting tot overlevering overeenkomstig de bepalingen van
dit kaderbesluit meebrengt. Toestemming wordt geweigerd op de in artikel 3 genoemde gronden en kan in de overige gevallen alleen op de in artikel 4 genoemde gronden worden geweigerd.
De beslissing wordt uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek genomen.
....
Beoordeling van het verweer
Uit het in artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit neergelegde specialiteitsbeginsel vloeit voort dat de opgeëiste persoon het recht toekomt om niet te worden vervolgd, bestraft of anderszins van zijn vrijheid te worden beroofd wegens een ander vóór de overlevering gepleegd feit dan dat waarvoor de overlevering is toegestaan. Het derde lid van voornoemde bepaling bevat een aantal uitzonderingen op dat specialiteitsbeginsel.
In de voorliggende zaak is verdachte door de Ierse autoriteiten overgeleverd naar Nederland ter zake van de vervolging van feit A. Verdachte heeft in verband met dit feit overleveringsdetentie en voorlopige hechtenis ondergaan. Bij vonnis van 15 mei 2017 is verdachte van dit feit vrijgesproken en is het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Dit ligt anders ter zake van feit B. Uit de stukken maakt het hof op dat een Ierse uitvoerende rechterlijke autoriteit op 26 oktober 2017 toestemming heeft geweigerd voor de vervolging van verdachte voor dit feit. Voor zover de advocaat-generaal ter zitting naar voren heeft willen brengen dat deze weigering niet vaststaat omdat ze niet kon worden geverifieerd, merkt het hof op dat het primair aan het openbaar ministerie is de bewilliging in een zelfuitgevaardigd aanvullend Europees aanhoudingsbevel te bewaken en de uitkomst aan het procesdossier toe te voegen. Gelet op voornoemde brief van het Department of Justice and Equality van 29 november 2017 en bij gebrek aan aanwijzingen dat de door de raadsman overgelegde brief van de Ierse Chief State Solicitor van 4 april 2018 niet authentiek is, houdt het hof het er voor dat de toestemming om verdachte ook te mogen vervolgen ter zake van het medeplegen van het onttrekken van een lijk aan nasporing, inmiddels onherroepelijk is geweigerd.
Nu verdachte voor dit feit, ondanks de geweigerde toestemming, toch is vervolgd, ligt de vraag voor of dat van belang is voor de onderhavige zaak en, zo ja, wat daarvan de consequentie is. Het hof overweegt daartoe het volgende.
In het arrest van het Europees Hof van Justitie van 1 december 2008 (Zaak C-388/08 inzake [naam 2] en [naam 3] ), heeft het Hof, voor zover hier van belang, ten aanzien van de uitzonderingsgrond in artikel 27, lid 3, aanhef en onder c van het Kaderbesluit het volgende overwogen.
71 Wanneer tijdens de procedure is vastgesteld dat sprake is van een „ander feit” dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, kan wegens dit strafbare feit slechts een vervolging worden ingesteld indien toestemming is verkregen, behoudens indien de uitzonderingen van artikel 27, lid 3, sub a tot en met f, van het kaderbesluit van toepassing zijn.
72 De uitzondering van artikel 27, lid 3, sub c, van het kaderbesluit betreft een situatie waarin de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid van de betrokkene beperkt.
73 In het kader van die uitzondering kan een persoon dus worden vervolgd en berecht voor „enig ander feit” dan dat welk de reden tot zijn overlevering is geweest, dat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, zonder dat de toestemmingsprocedure hoeft te worden gevolgd, op voorwaarde dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Indien die persoon echter wordt veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende straf of maatregel, kan die straf pas worden uitgevoerd indien toestemming is verleend.
74 Die uitlegging sluit overigens aan bij de bepalingen van artikel 10, lid 1, sub b, van de Overeenkomst van 1996, zoals blijkt uit het toelichtend rapport bij die overeenkomst, goedgekeurd door de Raad op 26 mei 1997 (PB 1997, C 191, blz. 13). Volgens dit rapport kan een verzoekende lidstaat zelfs indien het strafbare feit kan worden gestraft met een straf die de persoonlijke vrijheid beperkt, een strafvervolging instellen of voortzetten, dan wel een persoon berechten, voor andere feiten dan die welke tot het uitleveringsverzoek hebben geleid, voor zover de persoon tijdens de vervolging, dan wel ten gevolge daarvan, niet in zijn persoonlijke vrijheid wordt beperkt. Zo luidt het in het rapport dat indien de betrokkene veroordeeld wordt tot een straf of maatregel die vrijheidsbeneming meebrengt, dit vonnis alleen ten uitvoer wordt gelegd indien de verzoekende lidstaat daartoe de toestemming verkrijgt van hetzij de betrokkene, hetzij de aangezochte staat.
In dit geval is weliswaar door de Ierse autoriteiten toestemming geweigerd voor de vervolging van verdachte voor een ander feit, te weten feit B, maar verdachte heeft voor dit feit geen voorlopige hechtenis of overleveringsdetentie ondergaan, ook niet ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep. De overleveringsdetentie en voorlopige hechtenis had betrekking op feit A. Anders dan de raadsman heeft bepleit leidt de vervolging van verdachte, ondanks die weigering, gelet op voornoemd toetsingskader dan ook niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Immers, ook in geval van een weigering kan een persoon worden vervolgd en berecht voor ‘enig ander feit dat voor de overlevering is begaan’, mits dat niet gepaard gaat met vrijheidsbeneming van die persoon. Een dergelijk geval is hier aan de orde.
Gegeven de weigering van de Ierse autoriteiten, vloeit uit het in artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit neergelegde specialiteitsbeginsel en de in het derde lid van deze bepaling opgenomen uitzonderingen, voort dat aan verdachte voor dat andere feit B geen straf of maatregel kan worden opgelegd die zijn persoonlijke vrijheid beperkt. Mocht het hof niettemin bij arrest wel tot oplegging van een vrijheidsbenemende straf of vrijheidsbenemende maatregel overgaan, dan zal deze vrijheidsstraf pas kunnen worden geëxecuteerd als daarvoor, op basis van artikel 27, vierde lid van het Kaderbesluit, toestemming wordt verleend door de Ierse autoriteiten.
Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid wordt verworpen.
Tenlasteleggingen
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak A hij op een tijdstip in de periode van 17 februari 2009 tot en met 24 februari 2009 te Rotterdam en/of te Mijdrecht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en /of puntig voorwerp, een of meermalen in de romp gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
Zaak B hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 februari 2009 tot en met 24 februari 2009 te Rotterdam en/of Mijdrecht en/of Amsterdam en/of Diemen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van voornoemde [slachtoffer] te verhelen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s),
- het lijk van voornoemde [slachtoffer] in één of meer stukken gedeeld en/of
- het lijk, althans een of meer delen van het lijk, van voornoemde [slachtoffer] in plastic en/of een sprei en/of een (hoes)laken en/of een dekbedovertrek en/of een handdoek gewikkeld en/of
- het lijk, althans een of meer delen van het lijk, van voornoemde [slachtoffer] in een koffer en/of (plastic) tas(sen) en/of vuilniszak(ken) gestopt en/of
- voornoemde koffer en/of (plastic) tas en/of vuilniszak (met daarin een of meer delen van het lijk van voornoemde [slachtoffer] ) verplaatst en/of in (de achterbak van) een motorvoertuig gelegd en/of
- voornoemde koffer en/of (plastic) tas en/of vuilniszak (met daarin een of meer delen van het lijk van voornoemde [slachtoffer] ) naar Amsterdam en/of Diemen vervoerd en/of
- voornoemde koffer en/of (plastic) tas en/of vuilniszak (met daarin een of meer delen van het lijk van voornoemde [slachtoffer] ) in het water gelaten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. Verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.