Hoge Raad, 28-01-2020, ECLI:NL:HR:2020:60, 18/05374
Hoge Raad, 28-01-2020, ECLI:NL:HR:2020:60, 18/05374
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 28 januari 2020
- Datum publicatie
- 28 januari 2020
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:60
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:868
- In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:1618, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 18/05374
Inhoudsindicatie
Lijkdelen aangetroffen in IJ-meer in Amsterdam in 2009. Medeplegen doodslag (art. 287 Sr) en medeplegen wegmaken van lijk (art. 151 Sr). Veroordeling in h.b. na vrijspraak in e.a.. Gebruik voor bewijs van verklaringen van getuige die rechter in e.a. onbetrouwbaar heeft geacht en waarvan Hof niet ambtshalve oproeping tot opnieuw (doen) horen heeft bevolen, toelaatbaar i.h.l.v. art. 6 EVRM? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:1943 m.b.t motiveringsverplichting ingeval rechter in e.a. heeft doen blijken dat hij t.o.v. opsporingsambtenaar afgelegde, verdachte belastende verklaring van getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor bewijs gebruikt, en rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van tlgd. feit is gekomen, terwijl rechter in h.b. die verklaring wel voor bewijs gebruikt en overweegt dat deze uitgangspunten ook gelden in het geval als i.c., waarin betreffende verklaringen deels ten overstaan van opsporingsambtenaren en deels in e.a. in aanwezigheid van de verdediging tegenover RC zijn afgelegd. Deze motiveringsverplichting houdt in dat rechter in h.b. ter waarborging van deugdelijkheid van bewijsbeslissing redenen voor gebruik van die verklaring dient op te geven en i.h.b. moet vermelden op welke gronden hij desbetreffende verklaring betrouwbaar acht, waarbij die gronden kunnen, maar niet behoeven, te zijn ontleend aan verhoor van getuige in h.b. In dit verband kan voorts van belang zijn de mate waarin verklaring van getuige steun vindt in andere b.m., alsook de door OM tegen vrijspraak aangevoerde bezwaren en procesopstelling van verdachte. Hof heeft i.c. geen aanleiding gezien gebruik te maken van zijn bevoegdheid om getuige, die reeds in e.a. in aanwezigheid van de verdediging door RC is gehoord, ambtshalve in h.b. opnieuw te (doen) horen. Dat staat, ook i.h.l.v. art. 6 EVRM, niet in de weg aan het gebruik van zijn verklaringen voor het bewijs door Hof. Met door Hof gegeven motivering dat tegenover politie en RC afgelegde verklaringen van de getuige op belangrijke punten steun vinden in andere b.m. en de verklaringen van verdachte en zijn mededader weerlegging vinden in de overige b.m., heeft Hof immers genoegzaam de redenen opgegeven waarom het, anders dan de Rb, de verklaringen betrouwbaar acht. Volgt verwerping. Samenhang met 18/02390 en 18/02491.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/05374
Datum 28 januari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 mei 2018, nummer 23/001840-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Waar het in deze zaak om gaat
De Advocaat-Generaal heeft in zijn conclusie onder 4 als volgt samengevat waar het in deze zaak om gaat:
“Deze strafzaak draait om de dood van [slachtoffer] . Zijn zwaar verminkte lichaam werd op 24 februari 2009 aangetroffen in het IJmeer. Het hoofd en onderlichaam van [slachtoffer] waren van de romp gescheiden. Uit forensisch pathologisch onderzoek bleek dat het overlijden kon worden verklaard door zeker twee bij leven opgelopen steekletsels. Politieonderzoek wees uit dat het slachtoffer een Ierse criminele achtergrond had en in Nederland schuil ging onder de identiteit [...] . [slachtoffers] laatste tekenen van leven waren op 17 februari 2009, toen hij zijn vriendin naar Schiphol bracht en om 20.15 uur een sms stuurde naar een Iers telefoonnummer. Het hof is er van uitgegaan dat het slachtoffer later die avond in een woning in Rotterdam om het leven is gebracht. Deze woning werd formeel gehuurd door het slachtoffer, maar werd feitelijk bewoond door medeverdachte [medeverdachte 1] . Deze [medeverdachte 1] heeft, na aanvankelijk te hebben gezwegen, de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] aangewezen als verantwoordelijken voor de dood van [slachtoffer] én het wegmaken van diens lijk. Later heeft [medeverdachte 1] bekend ook zelf een rol gespeeld te hebben bij het wegmaken van het lichaam. In zijn verklaring geeft [medeverdachte 1] aan dat hij op de avond van 17 februari 2009 met [slachtoffer] , [medeverdachte 3] en de verdachte in de betreffende Rotterdamse woning was. Toen [medeverdachte 1] weg was om drank te halen, werd [slachtoffer] door de verdachte en [medeverdachte 3] om het leven gebracht met messteken. Het lichaam is op een later moment met een kettingzaag in stukken gezaagd en in het water in Amsterdam achtergelaten. Na aanvankelijk door de rechtbank te zijn vrijgesproken van doodslag, is de verdachte in hoger beroep veroordeeld .”
3 Procesgang
De verdachte is in eerste aanleg door de Rechtbank bij vonnis van 15 mei 2017 vrijgesproken van het in zaak A tenlastegelegde (mede)plegen van moord op [slachtoffer] en veroordeeld wegens het in zaak B tenlastegelegde “medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen”.
De Rechtbank heeft met betrekking tot de vrijspraak van het in zaak A tenlastegelegde, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:
“De verklaring van [medeverdachte 1] laat (...) te veel vragen onbeantwoord om op grond daarvan de feitelijke toedracht rond de dood van [slachtoffer] te kunnen vaststellen. De rechtbank betrekt bij dat oordeel de reële mogelijkheid dat [medeverdachte 1] zelf (mede) verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] en dat zijn belastende verklaring jegens [verdachte] en [medeverdachte 3] is ingegeven door het belang zichzelf vrij te pleiten. Uiteindelijk moet het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd buiten elke redelijke twijfel verheven zijn. De verklaring van [medeverdachte 1] legt daartoe simpelweg te weinig gewicht in de schaal.
Hoewel het aannemelijk is dat [verdachte] en [medeverdachte 3] meer weten dan dat zij tot nu toe hebben verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van zo veel overtuigend bewijs tegen deze twee verdachten dat, bij gebreke van een dat bewijs ontzenuwende verklaring, het niet anders kan zijn dan dat zij de daders zijn van de moord of doodslag op [slachtoffer] .
Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte, evenals de medeverdachten, dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde moord en doodslag.”
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld.
In hoger beroep is de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van doodslag op [slachtoffer] (zaak A) en het medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen (zaak B).
In eerste aanleg is [medeverdachte 1] in aanwezigheid van de verdediging door de rechter-commissaris als getuige gehoord. In hoger beroep is niet door of namens de verdachte het verzoek gedaan [medeverdachte 1] opnieuw te (doen) horen als getuige.