Gerechtshof Amsterdam, 15-05-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1704, 200.204.080/01 en 200.222.752/01
Gerechtshof Amsterdam, 15-05-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1704, 200.204.080/01 en 200.222.752/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 15 mei 2018
- Datum publicatie
- 20 juni 2018
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2018:1704
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1532, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Zaaknummer
- 200.204.080/01 en 200.222.752/01
Inhoudsindicatie
Huwelijkse voorwaarden.
Een redelijke uitleg van artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden brengt mee dat de schulden, nu de daarmee verkregen gelden zijn aangewend ter voldoening van de kosten van de huishouding, eveneens naar evenredigheid ten laste van ieders inkomen komen en, voor zover die inkomens ontoereikend zijn, naar evenredigheid ten laste van ieders vermogen.
Uitspraak
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Uitspraak: 15 mei 2018
Zaaknummer eerste aanleg: C/15/228417 / FA RK 15-3798 en C/15/238704 / FA RK 16-637
In de zaak met zaaknummers 200.204.080/01 en 200.222.752/01 in hoger beroep van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. O.J.V. van Beekhof te Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.J. van Lingen te Alkmaar,
en
in de zaak met zaaknummer 200.204.080/02 van
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoeker,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. O.J.V. van Beekhof te Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
verweerster,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.J. van Lingen te Alkmaar,
en
in de zaak met zaaknummer 200.209.023/01 in hoger beroep van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.J. van Lingen te Alkmaar,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. O.J.V. van Beekhof te Amsterdam.
1 Het geding in hoger beroep
In de zaak met zaaknummers 200.204.080/01 en 200.222.752.01 (hierna: zaak I) is de man op 24 november 2016 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 24 augustus 2016 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, met kenmerk C/15/228417 / FA RK 15-3798 en C/15/238704 / FA RK 16-637.
De vrouw heeft op 25 januari 2017 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep (met zaaknummers 200.204.080/01 en 200.222.752/01) ingesteld.
De man heeft op 27 maart 2017 een verweerschrift in het incidenteel appel ingediend.
In de zaak met zaaknummer 200.204.080/02 (hierna: zaak II) heeft de man op 24 november 2016 een voorwaardelijk verzoek tot schorsing van de executie van de bestreden beschikking van 24 augustus 2016 gedaan.
In de zaak met zaaknummer 200.209.023/01 (hierna: zaak III) is de vrouw op 25 januari 2017 (in haar verweerschrift in zaak I) in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 januari 2017 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, met kenmerk C/15/228417 / FA RK 15-3798 en C/15/238704 / FA RK 16-637.
De man heeft op 27 maart 2017 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een brief van de zijde van de man van 14 december 2016 met bijlagen, ingekomen op 15 december 2016;
- een brief van de zijde van de man van 19 december 2016 met bijlagen, ingekomen op 20 december 2016;
- een brief van de zijde van de vrouw van 29 augustus 2017 met een bijlage, ingekomen op 30 augustus 2017;
- een brief van de zijde van de man van 31 augustus 2017 met een bijlage, ingekomen op 1 september 2017.
De zaken zijn op 14 september 2017 gelijktijdig ter terechtzitting behandeld. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2 De feiten
Partijen zijn [in] 1999 onder het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd. Het verzoek tot echtscheiding is op 18 juni 2015 ingediend. Het huwelijk is op 22 december 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 24 augustus 2016 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren:
- [jongmeerderjarige A] , [in] 1998 te [plaats 1] ,
- [jongmeerderjarige B] , [in] 1999 te [plaats 2] ,
- [minderjarige C] , [in] 2001 te [plaats 3] ,
- [minderjarige D] , [in] 2003 te [plaats 3] .
In de door partijen op 16 februari 1999 overeengekomen huwelijkse voorwaarden is, voor zover thans van belang, het navolgende bepaald.
“Artikel 1
De echtgenoten zijn gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen.
Artikel 3
1. De kosten van de huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van hun gezamenlijke kinderen alsook de kinderen die met beider toestemming in het gezin zijn of mochten worden opgenomen, komen ten laste van de inkomens van de echtgenoten in evenredigheid daarvan.
2. Voor zover die inkomens ontoereikend zijn, komen die kosten ten laste van de vermogens van de echtgenoten in evenredigheid daarvan.
(...)
Artikel 4
De echtgenoot, die belasting betaalt wegens inkomen en/of vermogen van de andere echtgenoot, is terzake gerechtigd tot een redelijke vergoeding van de ander.
(...)
Artikel 5
1. Per het einde van elk jaar voegen de echtgenoten ter verdeling bij helfte bijeen, hetgeen van hun inkomsten uit arbeid alsook hun inkomsten uit vermogen, doch uitsluitend voor zover het ontvangen dividenduitkeringen betreft , over dat jaar onverteerd is of door belegging van dat onverteerd en nog niet verdeeld inkomen is verkregen.
(. . .)
Artikel 6
Indien het huwelijk van de echtgenoten door echtscheiding wordt ontbonden dan wel tussen de echtgenoten scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, zal pensioenverevening conform de Wet pensioenverevening pensioenrechten bij echtscheiding plaatsvinden.”
De man is directeur-grootaandeelhouder van [X] Holding B.V., die op haar beurt voor 50% aandeelhouder is van Top Vision Group B.V. De heer [A] (hierna: [A] ) is houder van de andere 50% van de aandelen. [X] Holding B.V. ontvangt vanuit Top Vision Group B.V. een management fee. De man ontvangt van [X] Holding B.V. een salaris van € 8.300,- bruto per maand inclusief vakantietoeslag.
De voormalig echtelijke woning aan de [adres 1] is gezamenlijk eigendom van partijen. In de bestreden beschikking is bepaald dat deze woning dient te worden verkocht. De man woont in de woning, evenals de drie ten tijde van de bestreden beschikking minderjarige kinderen van partijen, van wie de rechtbank het hoofdverblijf bij de man heeft bepaald.
In de periode van 2007 tot maart 2014 hadden partijen daarnaast de woning aan [adres 2] gezamenlijk in eigendom. Laatstgenoemde woning is in 2014 geleverd aan een derde.
3 Het geschil in hoger beroep
Zaak I
Bij de bestreden beschikking van 24 augustus 2016 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar is, voor zover thans van belang,:
- bepaald dat partijen gehouden zijn om de naheffingsaanslag 2014, zoals genoemd onder punt 2.8.12 van de bestreden beschikking, bij helfte te dragen;
- bepaald dat de man ter zake van de verrekening van de waarde van de Tesla en de Volvo gehouden is om € 39.775,00 aan de vrouw te voldoen;
- de man veroordeeld om uit hoofde van geldlening € 50.000,00 aan de vrouw te voldoen;
- de beslissing over de verrekening van de banksaldi per peildatum 3 juni 2015 pro forma aangehouden tot 19 oktober 2016.
Bij de bestreden beschikking zijn, voor zover van belang, de verzoeken van de vrouw een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen van € 6.500,00 bruto per maand, de hoogte van de vordering van de vrouw ter zake van verrekening van opgepotte winsten vast te stellen, en de man te veroordelen over te gaan tot pensioenafstorting, afgewezen, evenals de verzoeken van de man ten aanzien van de op naam van beide partijen staande schulden en de op naam van de man staande schulden, en het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw de helft van de naheffingsaanslag 2014 aan hem dient te voldoen.
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking – in zoverre – te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
-
n het dictum op te nemen dat de man verplicht is (als alimentatie in natura ten behoeve van de vrouw) de eigenaarslasten (waaronder de hypotheekrente) van de partijen in gezamenlijke eigendom toebehorende woning te voldoen, gedurende de periode dat de man in die woning verblijft en totdat de woning verkocht en geleverd is aan een derde;
-
te bepalen dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de in sub 2.8.9 van de bestreden beschikking genoemde schulden op beider naam; alsmede voor de helft van de daarmee samenhangende, in het lichaam in sub 10 toegelichte aflossingen;
-
te bepalen dat de vrouw draagplichtig is ten belope van de helft van de op de financiering van de huidige woning toeziende schulden aan de heer [A] (ad
€ 60.000,00) en aan de ouders van de man (ad € 120.000,00); alsmede voor de helft van de daarop toeziende rentelasten vanaf 2 juni 2015 tot de datum waarop deze schulden zijn afgelost;
te bepalen dat de vrouw gehouden is de schulden in de r/c die de man heeft aan zijn vennootschap(pen) voor de helft te dragen; alsmede dat de vrouw draagplichtig is voor de helft van de daarop toeziende rentelasten vanaf 2 juni 2015 tot de datum waarop deze schulden zijn afgelost;
te bepalen dat de vrouw gehouden is de helft (€ 6.739,50) van de belastingaanslag IB 2014 en de helft van de daarover te berekenen wettelijke rente aan de man te voldoen;
sub 3.7 van het dictum van de bestreden beschikking te vernietigen en in plaats daarvan te bepalen dat de man uit dien hoofde (Tesla) niets aan de vrouw verschuldigd is;
sub 3.8 van het dictum van de bestreden beschikking te vernietigen en in plaats daarvan te bepalen dat de vrouw een aanspraak heeft ad € 36.000,00 op de eenvoudige gemeenschap, zijnde de echtelijke woning van partijen;
te bepalen dat de man een vordering heeft van € 81.743,00 op de partijen in gezamenlijke eigendom toebehorende woning aan de [adres 1] ; dan wel – indien het hof oordeelt dat de in grief 6 behandelde vordering van de vrouw ad € 36.000,00 niet (alleen) toeziet op deze eenvoudige gemeenschap, maar dat de vrouw daarmee (ook) een vordering ad 50% x € 36.000,00 = € 18.000,00 op de man heeft – te bepalen dat de man uit dien hoofde (ook) een vordering op de vrouw heeft ad 50% x € 81.743,00 = € 40.871,00;
voor recht te verklaren (althans, te overwegen) dat de man en de vrouw bij verkoop van de woning aan de [adres 1] concurrent crediteur zijn met betrekking tot het kunnen verhalen van hun vorderingen ad respectievelijk
€ 81.743,00 en € 36.000,00 op het eventuele batige saldo (na aflossing van de diverse hypotheeknemers daaruit) en dat tussen hen pondsgewijs afgerekend zal moeten worden;
voorwaardelijk (conform de in het lichaam in sub 50 e.v. gegeven toelichting), te bepalen dat de vrouw uit hoofde van de verrekening van de banksaldi aan de man een bedrag verschuldigd is ad € 2.139,00; alsmede dat de vrouw jegens de man de sanctie verbeurt van artikel 1:139, lid 2 BW, uit welke hoofde zij additioneel aan de man een bedrag verschuldigd is ad € 17.000,00.
De vrouw verzoekt het verzoek van de man, tot vernietiging van de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende de regelingen vast te stellen zoals door hem in het beroepschrift zijn omschreven, af te wijzen.
In incidenteel appel verzoekt de vrouw, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking – in zoverre – te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
-
te bepalen dat de man telkens bij vooruitbetaling verschuldigd is een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 4.000,00 bruto per maand, althans een bijdrage die het hof in overeenstemming met de wettelijke maatstaven acht;
-
af te wijzen het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw gehouden is de helft van de naheffingsaanslag IB 2014 te voldoen;
-
vast te stellen de hoogte van de vorderingen van de vrouw op grond van verrekening van de tijdens het huwelijk opgepotte winsten binnen de BV van de man;
-
de man te veroordelen om over te gaan tot storting onder een door de vrouw aan te wijzen verzekeraar van een nog nader vast te stellen bedrag, te vermeerderen met 4% rente vanaf de datum van echtscheiding tot aan de datum van storting.
De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in incidenteel appel, althans deze af te wijzen.
Zaak II
De man verzoekt voorwaardelijk, te weten indien de vrouw overgaat tot het laten executeren van de bestreden beschikking (meer in het bijzonder van sub 3.7 en/of sub 3.8 uit het dictum), de schorsing uit te spreken van de door de rechtbank uitgesproken uitvoerbaar bij voorraadverklaring.
Zaak III
Bij de bestreden beschikking van 18 januari 2017 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, is:
- bepaald dat de vrouw ter zake van de verrekening van de banksaldi gehouden is om
€ 10.693,75 (€ 2.193,75 + € 8.500,00) aan de man te voldoen;
- bepaald dat partijen gehouden zijn om het debetsaldo van € 9,77 op de en/of rekening eindigend op -155 bij helfte te dragen.
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het banksaldo van de vrouw ad
€ 17.000,00 niet valt onder het te verrekenen vermogen.
De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep, althans deze verzoeken af te wijzen.