Gerechtshof Amsterdam, 06-11-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4155, 200.224.067/01
Gerechtshof Amsterdam, 06-11-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4155, 200.224.067/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 6 november 2018
- Datum publicatie
- 30 november 2018
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4155
- Zaaknummer
- 200.224.067/01
Inhoudsindicatie
Verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging buitenlands arbitraal vonnis.
Tussenbeschikking. Bevoegdheid gerechtshof. Uitleg overgangsrecht.
Aanhouding wegens procedure bij Engelse high court.
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.224.067/01
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 november 2018
inzake
1 [verzoeker sub 1] ,
wonend te [woonplaats] , [land] ,
2. [verzoeker sub 2],
wonend te [woonplaats] , [land] ,
3. ASCOM GROUP S.A.,
gevestigd te Chisinau, Moldavië, en
4. TERRA RAF TRANS TRAIDING LTD.,
gevestigd te Gibraltar,
verzoekers,
advocaat: mr. G.J. Meijer te Amsterdam,
en
1 REPUBLIEK KAZACHSTAN,
zetelend te Astana, Kazachstan,
waaronder mede begrepen:
REPUBLIEK KAZACHSTAN (NATIONAL FUND OF THE REPUBLIC OF KAZACHSTAN),
zetelend te Astana, Kazachstan,
advocaat: mr. M.A. Leijten te Amsterdam, en
2. SAMRUK-KAZYNA JSC,
gevestigd te Astana, Kazachtan,
advocaat: mr. J. van den Brande te Rotterdam,
gerekwestreerden,
1 Het procesverloop
Partijen worden hierna respectievelijk [verzoekers] c.s. (verzoekers gezamenlijk), Kazachstan, National Fund en Samruk genoemd.
[verzoekers] c.s. hebben bij verzoekschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 26 september 2017, verzocht om erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging op de voet van artikel 1075 Rv juncto de artikelen III en IV van het Verdrag van New York 1958, althans artikel 1076 Rv, van de op 19 december 2013 en 17 januari 2014 in Stockholm, Zweden, tussen partijen gewezen arbitrale vonnissen (verder: de arbitrale vonnissen), met veroordeling van Kazachstan in de kosten van dit geding.
Kazachstan heeft bij brief van 15 mei 2018 verzocht om aanhouding van de mondelinge behandeling van het verzoek, en heeft daarbij tevens een aantal “gerelateerde” verzoeken gedaan. Samruk heeft bij brief van 23 mei 2018 eveneens verzocht om aanhouding en tevens een aantal andere verzoeken gedaan. Het hof heeft bij brief van 13 juni 2018 aan partijen laten weten de verzoeken tot aanhouding af te wijzen en heeft daarbij meegedeeld dat er geen aanleiding is voorafgaand aan de mondelinge behandeling te beslissen op de andere verzoeken.
Op 15 juni 2018 is ter griffie van het hof een verweerschrift met producties van Samruk ingekomen. Samruk heeft het hof verzocht zich onbevoegd te verklaren voor zover het verzoek tegen haar is gericht, althans verzoekers niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek, althans hun verzoek af te wijzen, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van verzoekers in de kosten van het geding.
Op 18 juni 2018 is vervolgens ter griffie van het hof een verweerschrift met producties van Kazachstan ingekomen. Kazachstan heeft het hof verzocht zich onbevoegd te verklaren om van de zaak kennis te nemen en de zaak te verwijzen naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam,, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [verzoekers] c.s. in de kosten van het bevoegdheidsincident, althans de behandeling van de zaak aan te houden, althans haar verzoek ex artikel 843 toe te wijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [verzoekers] c.s. in de kosten van het incident ex artikel 843a Rv, althans te beslissen dat zij zich over de vier dagen eerder geproduceerde, op de - partijen bekende - fraudekwestie betrekking hebbende stukken uit mag laten, althans het verzoek van [verzoekers] c.s. af te wijzen.
Op 18 juni 2018 is ter griffie van het hof voorts een verweerschrift met producties ingekomen van Nationale Bank van Kazachstan, gevestigd te Almaty, Kazachstan, vertegenwoordigd door mr. A.K. Zirar, advocaat te Amsterdam (verder: de Nationale Bank), die stelt als belanghebbende in het geding te willen verschijnen. Zij heeft het hof verzocht zich onbevoegd te verklaren kennis te nemen van het verzoek jegens National Fund, althans verzoekers niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek jegens National Fund, althans hun verzoek jegens National Fund af te wijzen, althans conform het verweer van Kazachstan zich onbevoegd te verklaren kennis te nemen van het verzoek, althans verzoekers niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek, althans hun verzoek af te wijzen.
Kazachstan heeft een nadere producties ingediend, ontvangen ter griffie van het hof op 19 juni 2018 (productie 36), en op 21 juni 2018 (producties 37 en 38).
[verzoekers] c.s. hebben eveneens nadere producties ingediend (39 tot en met 45, productie 45 is een usb-stick), ontvangen op 21 juni 2018.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 22 juni 2018. Bij die gelegenheid zijn aan de zijde van [verzoekers] c.s. verschenen mr. Meijer voornoemd en mr. M. van de Hel-Koedoot, advocaat te Amsterdam, aan de zijde van Kazachstan mrs. M.A. Leijten en A.W.P. Marsman, beiden advocaat te Amsterdam, aan de zijde van Nationale Bank mr. Zirar voornoemd en aan de zijde van Samruk mr. Van den Brande voornoemd en mr. H.F. van Druten, advocaat te Amsterdam. Zij hebben allen het verzoekschrift respectievelijk hun verweerschrift toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen. Aan de zijde van [verzoekers] c.s. is nog verschenen E. Dzhazoijan, advocaat bij King & Spalding, aan de zijde van Kazachstan A. Madaliyen en aan de zijde van Samruk M. Mukhametzhano, jurist.
Vervolgens is uitspraak bepaald.