Gerechtshof Amsterdam, 30-07-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2822, 200.250.499/01 en 200.255.118/01
Gerechtshof Amsterdam, 30-07-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2822, 200.250.499/01 en 200.255.118/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 30 juli 2019
- Datum publicatie
- 12 december 2019
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2019:2822
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:347, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 200.250.499/01 en 200.255.118/01
Inhoudsindicatie
Appel van ECLI:NL:RBAMS:2018:7931 en 8368. Verband met ECLI:NL:GHAMS:2018:281 en 266. Kort geding. Vervolg van tussenarrest 30 april 2019. Beëindiging bankrelatie. Anders dan de eerste rechter oordeelde, behoefde ING de bankrelatie met Yin Yang c.s., met inbegrip van de overeenkomst "verpakt afstorten", niet te continueren.
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummers: 200.250.499/01 SKG en 200.255.118/01 SKG
zaak-/rolnummers rechtbank Amsterdam: C/13/654863/KG ZA 18-1029
en C/13/658896/KG ZA 18-1351
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 juli 2019
in de zaken van
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
tevens eiseres in incident in beide zaken,
advocaat: mr. B.W.G. van der Velden te Amsterdam,
tegen
1 YIN YANG EXPLOITATIE B.V.,
gevestigd te Roermond ,
2. VOCU B.V.,
gevestigd te Roermond,
3. ROERDALHOEVE B.V.,
gevestigd te Melick,
4. STICHTING CS BEDRIJVEN,
gevestigd te Roermond,
5. CS HORECA B.V.,
gevestigd te Roermond,
6. CS SAUNA B.V.,
gevestigd te Roermond,
7. MSB B.V.,
gevestigd te Roermond,
geïntimeerden,
tevens verweerders in incident in beide zaken,
advocaat: mr. F.J.H.M. Berndsen te Breda.
1 Het geding in hoger beroep
Appellante wordt hierna ING genoemd en geïntimeerden Yin Yang c.s. Geïntimeerde sub 4 zal ook afzonderlijk worden aangeduid als Stichting CS Bedrijven.
in de zaak met nummer 200.250.499/01
ING is bij dagvaarding van 29 november 2018 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 2 november 2018 onder het hierboven als eerste vermelde zaak-/rolnummer in kort geding gewezen tussen Yin Yang c.s. als eisers en ING als gedaagde, alsmede van het op 23 november 2018 uitgesproken herstelvonnis. De appeldagvaarding bevat de grieven alsmede de eis in het incident.
Partijen hebben de volgende stukken ingediend:
- conclusie van eis (overeenkomstig de appeldagvaarding), met producties;
- memorie van antwoord in het incident en in de hoofdzaak, met producties.
ING heeft in het incident geconcludeerd tot schorsing van de tenuitvoerlegging van delen van de tussen partijen gewezen vonnissen en in de hoofdzaak tot vernietiging van de bestreden vonnissen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.
Yin Yang c.s. hebben in het incident geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering en in de hoofdzaak tot bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep, met beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.
in de zaak met nummer 200.255.118/01
ING is bij dagvaarding van 13 februari 2019 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2019 onder het hierboven als tweede vermelde zaak-/rolnummer in kort geding gewezen tussen Yin Yang c.s. als eisers en ING als gedaagde. De appeldagvaarding bevat de grieven alsmede de eis in het incident tot voeging.
Partijen hebben de volgende stukken ingediend:
- conclusie van eis (overeenkomstig de appeldagvaarding);
- antwoordconclusie in het incident;
- memorie van antwoord in het incident en in de hoofdzaak.
ING heeft in het incident geconcludeerd tot voeging van de onderhavige zaak met de
hiervoor genoemde zaak die onder nummer 200.250.499/01 aanhangig is en in de
hoofdzaak tot vernietiging van het bestreden vonnis met nakosten en rente.
Yin Yang c.s. hebben zich in het incident gerefereerd aan het oordeel van het hof en in
de hoofdzaak geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep met
nakosten en rente.
Het hof heeft bij arrest van 30 april 2019 de onderhavige zaak gevoegd met de
hiervoor genoemde zaak.
in beide zaken
Partijen hebben hun zaken ter zitting van het hof van 29 mei 2019 doen bepleiten, ING door mrs. D.M. van Houwen en C. van Ginneken, beiden advocaat te Amsterdam, en Yin Yang c.s. door mr. Berndsen voornoemd, ieder aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Van beide zijden zijn bij die gelegenheid nadere producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2 Feiten
In het vonnis van 2 november 2018 onder 2.1 tot en met 2.23 en in het vonnis van 17 januari 2019 onder 2.1 tot en met 2.17 heeft de voorzieningenrechter de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van het geschil van partijen tot uitgangspunt heeft genomen. Deze worden in hoger beroep niet bestreden en zullen ook het hof als uitgangspunt dienen. De meest relevante daarvan worden hierna onder 3.1 weergegeven.