Gerechtshof Amsterdam, 29-10-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3879, 200.238.898/01
Gerechtshof Amsterdam, 29-10-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3879, 200.238.898/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2019
- Datum publicatie
- 11 november 2019
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2019:3879
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1144, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 200.238.898/01
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheid assurantietussenpersoon. Schending van de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv.
Artikel 21 Rv bepaalt dat de rechter aan schending ervan de gevolgtrekking kan verbinden die hij geraden acht. Niet valt in te zien waarom het terugkomen op bindende eindbeslissingen daaronder niet valt te begrijpen.
Er is sprake van een ernstige schending van de waarheidsplicht, omdat het feiten betreft die van wezenlijk belang zijn voor de beoordeling van de gegrondheid van de aanspraken en het achterhouden daarvan niet past bij een deugdelijke en integere procesvoering. Het hof verbindt daaraan het gevolg dat de vorderingen worden afgewezen. Van dit verzuim is in hoger beroep geen herstel mogelijk, zie ook ECLI:NL:GHAMS:2015:85
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.238.898/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/222172 / HA ZA 15-102
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 oktober 2019
inzake
1 [appellant sub 1] ,
2. [appellant sub 2],
beide wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
appellanten,
advocaat: mr. N. Muntjewerf te Hoorn,
tegen:
[geïntimeerde] , handelend onder de naam [X] ASSURANTIËN,
wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.H. Pluymen te Deventer.
1 Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna [appellanten] , afzonderlijk [appellant sub 1] en [appellant sub 2] , en [geïntimeerde] genoemd.
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 15 januari 2018 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 3 februari 2016 en 18 oktober 2017, onder het hierboven genoemde zaak-/rolnummer gewezen tussen hen als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 24 juni 2019 doen bepleiten, door hun bovenvermelde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis deels zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog hun vorderingen volledig zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten en vermeerderd met wettelijke rente.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [appellanten] in de proceskosten, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.
Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
2 Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 3 februari 2016 onder 2.1 tot en met 2.13 een aantal feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Deze feiten zijn in hoger beroep als zodanig niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
[appellanten] zijn sinds 2007 eigenaar van een perceel met destijds een bedrijfsloods aan de [adres] (hierna: de loods). De loods was onderverdeeld in diverse bedrijfsruimten, die [appellanten] aan meerdere particulieren verhuurden voor opslag.
[geïntimeerde] is werkzaam als assurantietussenpersoon. [geïntimeerde] is ook voor [appellanten] werkzaam geweest. In dat kader verzorgde [geïntimeerde] voor [appellanten] al 12 jaar lang alle verzekeringen, zowel zakelijk als privé. De werkzaamheden van [geïntimeerde] werden feitelijk mede uitgevoerd door de voor hem werkzame [A] (hierna: [A] ).
[appellanten] sloten in 2007, met bemiddeling van [geïntimeerde] , ten behoeve van de loods een brandverzekering bij ASR af. Naar aanleiding van een preventiebezoek heeft ASR als preventiemaatregel aanpassing van de technische installatie van de loods geëist en heeft [appellanten] besloten die aanpassingen niet te doen. ASR heeft daarop de verzekering bij brief van 6 februari 2014 per 1 juni 2014 door opzegging beëindigd.
[appellanten] hebben vervolgens [geïntimeerde] als hun assurantietussenpersoon opdracht gegeven de loods bij een andere verzekeraar te verzekeren. Op advies en met bemiddeling van [geïntimeerde] , heeft [appellanten] per 1 juni 2014 de loods als opstal verzekerd bij Aegon tegen (onder meer) het risico van brand, bedrijfsschade en milieuschade (hierna: de verzekering).
De onder 2.5. genoemde verzekering is tot stand gekomen op basis van een aanvraagformulier, dat op 24 april 2014 door [A] samen met [appellanten] is ingevuld. Op dat formulier is de vraag “Is u of een andere kandidaat-verzekerde ooit een verzekering, van welke aard ook, geweigerd of opgezegd?” ontkennend beantwoord.
Op 3 juni 2014 heeft de politie een hennepkwekerij in de loods ontmanteld.
[appellant sub 1] heeft op 3 juni 2014 met een e-mailbericht familie, vrienden, buren en kennissen, ervan op de hoogte gebracht dat in de loods die dag een hennepkwekerij was ontdekt. [A] heeft als een van de geadresseerden dit bericht ontvangen.
De bedrijfsloods is in de nacht van 27 augustus 2014 volledig afgebrand. [appellanten] heeft onder de verzekering bij Aegon een claim ingediend voor schade als gevolg van de brand.
Na de brand heeft Aegon expertisebureau [Y] Expertise B.V. (hierna: [Y] ) ingeschakeld. [Y] heeft de oorzaak van de brand niet kunnen vaststellen.
Aegon heeft [appellanten] bij brief van 9 oktober 2014 bericht dat hij geen recht op uitkering heeft en dat Aegon de verzekering met onmiddellijke ingang beëindigt (hierna: de afwijzingsbrief) (productie 3 bij dagvaarding). Aegon schrijft voor zover hier van belang, het volgende:
“Uit het ingestelde onderzoek is duidelijk gebleken dat:
- -
-
de oorzaak van de brand niet kan worden vastgesteld;
- -
-
in januari 2014 een inspectie van uw loods door ASR heeft plaatsgevonden, waardoor ASR het risico niet meer wilde verzekeren en tot beëindiging van de verzekering is overgegaan. Zulks met de restrictie dat het royement geen doorgang zou vinden, als door u binnen twee maanden na de kennisgeving daarvan, op 11 februari jl. aan uw verzekeringsagent, de preventiemaatregelen alsnog door u uitgevoerd zouden worden. Omdat geen reactie van u hierop is vernomen, is door ASR het polisblad met de beëindiging van de verzekering afgegeven. De preventiemaatregelen zoals door ASR voorgeschreven zijn deels van gelijke strekking als de voorwaarden welke zijn opgenomen in de door ons toegepaste clausules. Met name geldt dit ook voor de NEN normering ten aanzien van de elektrische installatie. U heeft ons hierover bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst onjuist c.q. niet geïnformeerd;
- -
-
u aan de elektrische installatie in uw gebouw geen aanpassingen, keuringen en/of onderhoud heeft verricht of laten verrichten, waardoor niet voldaan is aan de voorwaarden in de clausule 2386;
- -
-
op 3 juni 2014 in uw pand een hennepkwekerij is ontmanteld door de politie, terzake waarvan u als verdachte bent aangehouden. Naar aanleiding daarvan heeft uw partner op dezelfde dag een emailbericht gestuurd aan uw relaties waarbij aangegeven werd dat u een hennepkwekerij hield in de hoop dat u uit uw financiële nood zou komen. Ten aanzien van de ontmanteling van de hennepkwekerij heeft u verklaard dat u pas ca. 2 á 2,5 week voorafgaande aan de ontmanteling wist van een hennepkwekerij, nadat u de ruimte aan een onbekende zou hebben verhuurd. Vervolgens heeft u volgens uw verklaring de aanleg van die hennepkwekerij gedoogd en heeft u hiervoor een vergoeding ontvangen. Het onderzoek hierover door de politie/justitie is nog niet afgerond;
- -
-
uw 1e verklaring dat u geen betrokkenheid had bij de hennepkwekerij en daaraan geen verdienste heeft gehad, tegenstrijdig is met uw 2e verklaring, waarin u aangaf dat u voor het gedogen van de hennepkwekerij een vergoeding ontving. Voorts heeft u in uw 2e verklaring, na het informatieverzoek over uw financiële positie door de onderzoeker, pas voor het eerst aangegeven dat u aanmerkelijke financiële problemen heeft. Zulks mede doordat uw bank u had verplicht tot het gaan uitvoeren van aflossing op uw hypothecaire lening, waardoor uw woning in de stille verkoop is geplaatst.
Standpunt geen recht op schadevergoeding
Uit bovenstaande volgt dat u ten eerste uw mededelingsplicht heeft geschonden door onjuist te hebben geantwoord op het aanvraagformulier. Daarbij komt dat op grond van de polisvoorwaarden u iedere risicowijziging aan ons had moeten doorgeven. Zo kunnen wij inschatten welk risico wij lopen. Dit heeft u nagelaten. Als wij hadden geweten van de aanwezigheid van de hennepkwekerij en uw betrokkenheid daarbij, zoals door u verklaard, en de opzegging van ASR doordat en waarna u door ASR voorgeschreven preventiemaatregelen niet bent nagekomen, zouden wij de verzekering niet hebben geaccepteerd (...).
Beëindiging van de verzekering
Vanwege het onacceptabele risico en doordat wij bij kennis van de voornoemde omstandigheden de verzekering niet zouden hebben gesloten, beëindigen wij de verzekering met onmiddellijke ingang. (...)
De elektrische installatie in de loods voldeed niet aan de voorwaarden in clausule 2386 van de tussen Aegon en [appellanten] gesloten verzekeringsovereenkomst.