Gerechtshof Amsterdam, 19-03-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:889, 23-004221-17
Gerechtshof Amsterdam, 19-03-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:889, 23-004221-17
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 19 maart 2019
- Datum publicatie
- 20 maart 2019
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2019:889
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:193
- Zaaknummer
- 23-004221-17
Inhoudsindicatie
18 jaar cel voor liquidatie in flat Kikkenstein
Amsterdam, 19 maart 2019
Een 26-jarige man is in hoger beroep veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf voor de moord op Abderrahim (‘Appie’) B. op een galerij van de flat Kikkenstein in Amsterdam op 9 mei 2016. Dit heeft het gerechtshof Amsterdam vandaag bepaald. De straf is hoger dan de eis van het Openbaar Ministerie (15 jaren en 3 maanden) en de straf die de rechtbank de man eerder oplegde (14 jaren).
Slachtoffer naar Kikkenstein gelokt
Op 9 mei 2016 rond 2:15 uur kwamen de verdachte (een bekende rapper) en het slachtoffer elkaar tegen op het VIP-dek in Club Air in Amsterdam. Nadat het slachtoffer Club Air had verlaten, begon de verdachte om 3:06 uur met hem een WhatsAppgesprek dat zou duren tot (en kort na) 5:27 uur, het moment waarop het slachtoffer is doodgeschoten. In het WhatsAppgesprek deed de verdachte alsof hij in het gezelschap was van drie vrouwen en dat in een woning in de Bijlmer in de flat Kikkenstein met deze drie vrouwen ‘gefeest’ zou worden, waarvoor het slachtoffer viagra zou moeten meenemen. Het slachtoffer is op de uitnodiging van de verdachte ingegaan. In de loop van het gesprek dirigeerde de verdachte het slachtoffer naar het laatste portiek van de flat Kikkenstein, ingang 3033. De verdachte was toen al lang en breed op weg naar Rotterdam. Toen het slachtoffer bij het laatste portiek aankwam, werd hij onmiddellijk onder vuur genomen door een nog altijd onbekende schutter. Hij werd in zijn hoofd en romp getroffen en overleed ter plaatse.
Hogere straf
Het gerechtshof is van oordeel dat de verdachte, hoewel hij niet zelf de schutter is geweest, een cruciale en coördinerende rol heeft gespeeld bij de koelbloedige liquidatie. Gelet op de plaats en het tijdstip van de liquidatie vindt het gerechtshof ook dat een groot risico bestond dat onschuldige bewoners of andere aanwezigen slachtoffer zouden worden. Bovendien was de verdachte al eerder veroordeeld wegens een poging tot moord en een diefstal met geweld. Hij blijkt dus zeer hardleers. Dit criminele verleden van de verdachte, de ernst van het feit en het belang van zogenoemde algemene preventie hebben het hof gebracht tot de oplegging van een gevangenisstraf van 18 jaren.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004221-17
datum uitspraak: 19 maart 2019
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-665288-16 tegen
[verdachte] (voorheen [verdachte] ),
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1992,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, De Schie te Rotterdam.
Onderzoek van de zaak
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 maart 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Omvang van het hoger beroep
Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding, kort gezegd, primair het medeplegen van de moord op [slachtoffer] “en/of” de uitlokking daarvan ten laste gelegd. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld ter zake van het medeplegen van moord en vrijgesproken van de ten laste gelegde uitlokking.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep voor zover dat is gericht tegen die gegeven vrijspraak, nu het openbaar ministerie geen hoger beroep hiertegen heeft ingesteld, gelet op de wijze van het ten laste leggen en het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, Sv.
De raadsvrouw en de verdachte hebben zich niet uitgelaten over de omvang van het hoger beroep.
Het hof overweegt als volgt.
De steller van de tenlastelegging heeft in het midden gelaten of een veroordeling voor één of beide primair ten laste gelegde feiten wordt beoogd. Hierop gelet en gezien de aard van de ten laste gelegde feiten en het standpunt van de advocaat-generaal, vat het hof de tenlastelegging op als een tenlastelegging waarin cumulatief en dus gevoegd twee strafbare feiten zijn opgenomen. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van uitlokking van de moord op [slachtoffer] .
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover inhoudelijk nog aan de orde in hoger beroep, ten laste gelegd dat:
primair: hij op of omstreeks 9 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s), meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen een of meer kogel(s) in de romp en/of het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
subsidiair: één of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 9 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen een of meer kogel(s) in de romp en/of het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 9 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door die [slachtoffer] via whatsapp-berichten naar de plaats te dirigeren waar die [slachtoffer] uiteindelijk is doodgeschoten en/of (tevens) die tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) een bericht te sturen met het adres waar die [slachtoffer] naar toe zou gaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover in hoger beroep nog inhoudelijk aan de orde, worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank. Voorts gaat het hof bij zijn beoordeling van de bewijsvraag in op de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte, waarin hij een nieuwe lezing van de feitelijke toedracht heeft gegeven.