Home

Gerechtshof Amsterdam, 12-10-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3039, 200.211.978/02

Gerechtshof Amsterdam, 12-10-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3039, 200.211.978/02

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12 oktober 2021
Datum publicatie
17 november 2021
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:3039
Formele relaties
Zaaknummer
200.211.978/02

Inhoudsindicatie

Storting afvalstoffen in Ivoorkust in 2006. Ontvankelijkheid 305a stichting in collectieve actie- zijn de belangen van de achterban voldoende gewaarborgd? Anders dan in de procedure van een andere stichting naar aanleiding van dezelfde storting wordt die vraag in dit geval door het hof negatief beantwoord. Beslissing in deelgeschil staat niet aan beoordeling van de ontvankelijkheid in de weg.

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.211.978/02

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/581973 / HA ZA 15-195

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 oktober 2021

inzake

STICHTING UNION DES VICTIMES DE DÉCHETS TOXIQUES D’ABIDJAN

ET BANLIEUES,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. F.M.P. Brisdet te Amsterdam,

tegen

TRAFIGURA BEHEER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam.

Partijen worden hierna de Stichting en Trafigura genoemd.

Het geschil in het kort

In 2006 zijn door het zeeschip Probo Koala, dat gecharterd was door Trafigura, afvalstoffen naar Ivoorkust gebracht. Die afvalstoffen zijn illegaal in en om Abidjan gestort. Veel mensen zeggen dat zij destijds daar aanwezig waren en door die storting ziek zijn geworden. De Stichting vordert een verklaring voor recht dat Trafigura onrechtmatig heeft gehandeld, dat zij verplicht is om schadevergoeding aan de slachtoffers te betalen en dat zij ter plekke moet saneren. Volgens de Stichting zijn er nog tienduizenden slachtoffers die tot haar achterban horen en die nooit schadevergoeding hebben gekregen, hoewel er mogelijk eerder wel in het kader van schikkingen bedragen zijn betaald door Trafigura. De procedure heeft zich, als gevolg van procesafspraken, bij het hof geconcentreerd op de vraag of de Stichting voldoet aan de eisen die de wet (in artikel 3:305a BW(oud)) stelt aan dit soort claimstichtingen.

1 Het geding na verwijzing door de Hoge Raad

Bij arrest van 3 april 2020, zaaknummer 19/00250, ECLI:NL:HR:2020:587, heeft de Hoge Raad het in deze zaak tussen de Stichting en Trafigura gewezen arrest van dit hof van 16 oktober 2018 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing teruggewezen naar dit hof. Bij exploot van 25 mei 2020 heeft de Stichting Trafigura opgeroepen om voort te procederen.

Het hof heeft een regiezitting gelast, die na overleg met partijen enkelvoudig (ten overstaan van mr. Tromp) heeft plaatsgevonden op 7 december 2020. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Beide partijen waren daar vertegenwoordigd en hebben verklaard dat zij afzien van memories na verwijzing. Medegedeeld is dat de procesafspraken zoals opgenomen in het proces-verbaal van 24 november 2017 in stand blijven en dat een nieuwe mondelinge behandeling voor de huidige samenstelling van het hof zal plaatsvinden.

De Stichting heeft op 6 mei 2021 stukken gedeponeerd ter griffie van het hof, waarvan een akte van depot is opgemaakt.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 20 mei 2021 doen bepleiten door hun hiervoor vermelde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities, die aan het hof zijn overgelegd.

De Stichting heeft bij die gelegenheid videobeelden getoond. Trafigura heeft bij haar pleitnota producties gevoegd, die zich reeds bij de stukken bevonden. E. Walton, legal counsel van Trafigura, heeft een verklaring voorgelezen. Die verklaring is toegezonden en in het dossier gevoegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

Het hof gaat uit van de feiten die de Hoge Raad in zijn arrest van 3 april 2020 onder 2.1 heeft vermeld en de overige feiten als vastgesteld door dit hof in het arrest van 16 oktober 2018, onder 2.1 tot en met 2.9, waarvan de juistheid tussen partijen niet in geschil is en waarin de tegen de feitenvaststelling door de rechtbank gerichte grief en de reactie daarop reeds zijn verdisconteerd.

Deze feiten komen neer op het volgende.

2.1

Trafigura is de in Amsterdam gevestigde holdingvennootschap naar Nederlands recht van een internationaal concern dat gespecialiseerd is in wereldwijde grondstoffenhandel en -logistiek.

2.2

In 2006 heeft Trafigura het zeeschip Probo Koala gecharterd. Dit schip is gebouwd voor het transport van vaste en vloeibare stoffen en ingericht

voor het vervoer van olieproducten.

2.3

Na aankomst in de haven van Amsterdam op 2 juli 2006 heeft de Probo Koala

een begin gemaakt met het lossen van de aan boord gecreëerde afvalstoffen (slops). Op 5 juli 2006 zijn de slops teruggepompt in de tanks aan boord van de Probo Koala, waarna het schip de haven van Amsterdam heeft verlaten.

2.4

Op 19 augustus 2006 is de Probo Koala aangemeerd in de haven van Abidjan

(Ivoorkust). Daar zijn de slops, al dan niet door (tussenkomst van) een lokaal bedrijf (Compagnie Tommy), illegaal gestort op verschillende locaties in en om Abidjan (hierna tezamen aan te duiden als de storting).

2.5

De Stichting is een rechtspersoon naar Nederlands recht. Volgens haar statuten, zoals laatstelijk gewijzigd op 1 mei 2017, is de Stichting opgericht om de belangen te behartigen van hen die in hun belangen zijn aangetast of dreigen te worden aangetast als gevolg van de storting, alsmede het verrichten van al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.

2.6

In november 2006 hebben ruim 30.000 personen die stelden dat zij als gevolg

van de storting gezondheidsschade hebben geleden, vertegenwoordigd door het

Engelse advocatenkantoor Leigh Day & Co, een civiele procedure in het Verenigd Koninkrijk aangespannen tegen onder meer Trafigura. Deze procedure heeft in 2009 geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst, die bekend is geworden als de Leigh Day-schikking.

2.7

In 2007 heeft Trafigura met de staat Ivoorkust een vaststellingsovereenkomst

gesloten omtrent de gevolgen van de storting, het Protocole d’Accord genoemd (hierna: het Protocole). Het Protocole luidt in vertaling, voor zover hier van belang:

“(...) 1. De Ivoriaanse Staat (...) handelend (...) uit naam van (...) alle slachtoffers van de giftige afvalstoffen, (...), vertegenwoordigd door de heer Laurent Gbagbo, President van de Republiek Ivoorkust, (...)

7 BESLECHTING VAN GESCHILLEN

2.8

Artikel 7 van de Allonge bij het Protocole (hierna: de Allonge) luidt, voor zover hier van belang, hetzelfde als artikel 7 van het Protocole.

2.9

In 2008 zijn namens een grote groep claimanten procedures in Ivoorkust aanhangig gemaakt tegen onder meer Trafigura, met als inzet het verkrijgen van een vergoeding voor schade ten gevolge van de storting. Bij arrest van 24 december 2010 heeft het Cour d’Appel d’Abidjan deze vorderingen afgewezen. Op 23 juli 2014 heeft het Ivoriaanse Cour Suprême in hoogste instantie in verenigde vergadering het cassatieberoep verworpen. Dat arrest houdt onder meer (in vertaling) in:

“(...) Overwegend dat het hof verweten wordt dat het zich gebaseerd heeft op de inhoud van een akkoord dat gesloten was tussen de vennootschappen TRAFIGURA BEHEER BV, TRAFIGURA LIMITED, PUMA ENERGY en de STAAT IVOORKUST om de aansprakelijkheid van die vennootschappen opzij te zetten hetgeen de gevolgen opleverde van een overeenkomst voor de slachtoffers die echter buiten deze overeen-komst stonden en dat het de bepalingen van artikel 1165 van de code civil heeft geschonden;

Echter overwegend dat hoewel het vaststaat dat overeenkomsten alleen gelden tussen de contract sluitende partijen en derden geen schade toebrengen, het zo blijft dat deze alleen ten gunste van derden uitvallen in de in artikel 1121 van de code civil voorziene gevallen;

dat deze tekst niet de vorm specificeert van de toestemming van de derde-begunstigde en niet aangeeft op welk moment die derde moet worden aangewezen;

dat de aanvaarding daardoor stilzwijgend kan zijn zoals in dit geval en gekenmerkt wordt door de aanmelding van een groot aantal personen in de ziekenhuizen en medische centra en door de afgifte van medische verklaringen;

bovendien volstaat het dat de begunstigde kan worden aangewezen op het moment dat de bepaling effect krijgt;

dat dit het geval is voor zover het gaat om alle personen die dossiers indienen met het oog op vergoeding van de schade die ontstaan is door de storting van giftig afval;

dat het Cour d'appel door uit de bepalingen van het akkoord te concluderen dat de staat gehouden was om deze vennootschappen te dekken tegen alle vorderingen en procedures tot schadeloosstelling de bepalingen van artikel 1165 van de code civil niet geschonden heeft;

dat daaruit volgt dat het middel ongegrond is. (...)”.

3 Beoordeling

4 De beoordeling

4 Beslissing