Home

Gerechtshof Amsterdam, 21-07-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2247, 21/01694

Gerechtshof Amsterdam, 21-07-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2247, 21/01694

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21 juli 2022
Datum publicatie
8 augustus 2022
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:2247
Zaaknummer
21/01694
Relevante informatie
Art. 4:19 Awb, Art. 6:19 Awb, Art. 4:17 lid 1 Awb, Art. 4:17 lid 2 Awb, Art. 4:17 lid 3 Awb

Inhoudsindicatie

WOZ; dwangsombesluit. Een dwangsombesluit dan wel een bezwaar tegen een dwangsombesluit kan geen voorwerp zijn van het verbeuren van een dwangsom.

Uitspraak

kenmerk 21/01694

21 juli 2022

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [plaats] , belanghebbende,

gemachtigde: [gemachtigde]

tegen de uitspraak van 8 oktober 2021 in de zaak met kenmerk HAA 20/4258 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente], de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 maart 2019 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] vastgesteld (hierna: de WOZ-beschikking).

1.2.

Belanghebbende heeft daartegen bij geschrift van 1 mei 2019 een bezwaarschrift ingediend.

1.3.

Bij brief van 17 februari 2020 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaar tegen de WOZ-beschikking.

1.4.

Bij uitspraak op bezwaar van 4 maart 2020 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar tegen de WOZ-beschikking ongegrond verklaard. Tevens heeft de heffingsambtenaar in hetzelfde geschrift het besluit genomen om niet een dwangsom aan belanghebbende toe te kennen (hierna: het dwangsombesluit).

1.5.

Belanghebbende heeft tegen het dwangsombesluit bij schrijven van 15 april 2020 een door haar als bezwaar aangemerkt geschrift ingediend (hierna ook: het bezwaar tegen het dwangsombesluit).

1.6.

Bij brief van 23 juni 2020 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens – onder meer – het niet tijdig doen van een uitspraak op het bezwaar tegen het dwangsombesluit.

1.7.

Van belanghebbende is op 20 augustus 2020 bij de rechtbank een door de rechtbank als aanvulling op het beroep aangemerkt geschrift ontvangen, gericht tegen (de niet tijdig gedane) uitspraak op – mede – het bezwaar tegen het dwangsombesluit.

1.8.

Bij uitspraak van 29 september 2020 heeft de heffingsambtenaar uitspraak gedaan op het bezwaar tegen het dwangsombesluit en een dwangsom toegekend van € 69.

1.9.

Bij brief van 1 september 2021 heeft belanghebbende zijn beroep tegen de (niet tijdige) uitspraak op het bezwaar tegen het dwangsombesluit aangevuld met de vordering dat de gemeente tevens een dwangsom verbeurt wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op de ingebrekestelling (van 23 juni 2020) wegens – onder meer – het niet tijdig doen van een uitspraak op het bezwaar tegen het dwangsombesluit.

1.10.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 8 oktober 2021 onder meer als volgt op het beroep van belanghebbende beslist:

“De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond; (…)

-

vernietigt het besluit van [de heffingsambtenaar] van 29 september 2020, uitsluitend voor zover [de heffingsambtenaar] daarbij heeft bepaald dat een dwangsom is verbeurd van € 69;

-

gelast dat [de heffingsambtenaar] aan [belanghebbende] een bedrag van € 207 aan dwangsom verbeurt;

-

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het (nadere) besluit van [de heffingsambtenaar] van 29 september 2020;

-

veroordeelt [de heffingsambtenaar] in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 53,40 en

-

draagt [de heffingsambtenaar] op het door [belanghebbende] betaalde griffierecht van € 48 aan hem te vergoeden.”

1.11.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld, ingekomen bij het Hof op 21 oktober 2021. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.12.

Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben het Hof toestemming verleend tot het achterwege laten van een onderzoek ter zitting.

1.13.

Het Hof heeft het onderzoek bij brief van 19 juli 2022 gesloten en daarbij partijen meegedeeld dat op een termijn van zes weken uitspraak wordt gedaan.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de feiten als volgt vastgesteld:

Feiten

1. Bij brief van 17 februari 2020 heeft [belanghebbende] aangezien nog geen beslissing was genomen op het bezwaarschrift gedateerd 1 mei 2019 gericht tegen de beschikking, [de heffingsambtenaar] in gebreke gesteld.

2. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 4 maart 2020. [De heffingsambtenaar] heeft daarbij medegedeeld dat geen dwangsom is verschuldigd.

3. Tegen de uitspraak op bezwaar, voor zover [de heffingsambtenaar] heeft geweigerd een dwangsom toe te kennen, heeft [belanghebbende] bij brief van 15 april 2020 een bezwaarschrift bij [de heffingsambtenaar] ingediend.

4. Bij besluit van 29 september 2020 heeft [de heffingsambtenaar] het bezwaarschrift van [belanghebbende] van 15 april 2020 (deels) gegrond verklaard en een dwangsom toegekend ten bedrage van (3 x € 23 =) € 69. [De heffingsambtenaar] heeft tevens een proceskostenvergoeding toegekend ten bedrage van € 104,44.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn beschreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar van 15 april 2020 gericht tegen het dwangsombesluit.

4 Het oordeel van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing