Gerechtshof Amsterdam, 09-08-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2342, 21/01825
Gerechtshof Amsterdam, 09-08-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2342, 21/01825
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 9 augustus 2022
- Datum publicatie
- 24 augustus 2022
- Zaaknummer
- 21/01825
- Relevante informatie
- Art. 17 lid 2 WOZ
Inhoudsindicatie
WOZ. De heffingsambtenaar verstrekt het taxatieverslag in de bezwaarfase. Het Hof verwerpt de grief van belanghebbende dat de heffingsambtenaar zijn verplichtingen ingevolge artikel 6:17 Awb, artikel 7:4 Awb en artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet is nagekomen. Verwijzing naar ECLI:NL:GHAMS:2022:1433. De waarde van de woning is niet te hoog vastgesteld.
Uitspraak
kenmerk 21/01825
9 augustus 2022
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: [A] ),
tegen de uitspraak van 5 november 2021 in de zaak met kenmerk HAA 20/5990 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] , de heffingsambtenaar
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking, gedagtekend 29 februari 2020, krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak (hierna: WOZ-waarde) [A-straat] 48 te [Z] (hierna: onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 192.000. In hetzelfde document heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerende zaakbelasting 2020 bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 1 oktober 2020, het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 5 november 2021 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen bij faxbericht van 15 december 2021, en nader aangevuld bij faxbericht van 16 december 2021. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2022. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Tussen partijen vaststaande feiten
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“Feiten
1. Eiser is eigenaar van de woning. De woning is een bedrijfswoning en gebouwd in 1993, met een dubbele dakkapel. De woning heeft een inhoud van 425 m³ en een kaveloppervlakte van 300 m².”
2.2.Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde van € 192.000 heeft de heffingsambtenaar in de bezwaarfase een taxatieverslag Woning aan belanghebbende verstrekt. In de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar ter onderbouwing van de waarde een waardematrix overgelegd waarin de gegevens van vier vergelijkingsobjecten ( [A-straat] 165, [A-straat] 37, [B-straat] en [C-straat] ), alle vrijstaande woningen (agrarische bedrijfswoningen) gelegen te [Z] , staan vermeld.
Bij brief van 3 maart 2020 heeft de gemachtigde namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de onder 1.1 vermelde beschikking en aanslag. In het bezwaarschrift heeft de gemachtigde onder meer het volgende geschreven:
“Op basis van de ons bekende administratieve gegevens kan WOZ-waarde voor [de onroerende zaak] niet hoger zijn dan € 170.000,00. Deze lagere waarde is gebaseerd op de door de opdrachtgever aan mij verstrekte gegevens en een quick-scan van de WOZ-waarde door een taxateur. (…)
Om de WOZ-waarde en de opgelegde aanslag nader te controleren verzoek ik u ons uiterlijk binnen twee weken het taxatieverslag toe te sturen via taxatieverslagen@previcus.nl. (…)
Graag willen wij gehoord worden zoals bepaald in de Algemene Wet Bestuursrecht. (…)”
In de nadere motivering van het bezwaar van 29 mei 2020 is nog vermeld:
“Ik verzoek u, bij niet volledig tegemoetkoming aan het bezwaar de opbouw en een controleerbare onderbouwing van de kavelwaarde, de zogenoemde grondstaffel, op basis van recente uitspraken van de rechtbank Oost Brabant (ECLI:Nl:RBOBR:2018:357) en de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2017:1051) tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te overleggen.
Ik verzoek u, de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren, alsmede de manier waarop u de verschillen hebt verdisconteerd, van het onderhavige object en van de door u opgevoerde vergelijkingsobjecten tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te verstrekken.
(…)
Ik verzoek u de taxatiekaart met daarop vermeld de onderdeelwaardes voor de objectonderdelen welke meegenomen zijn in de taxatie van het onderhavige object alsmede de onderdeelwaardes van de bijgebouwen van de gehanteerde referentiepanden te verstrekken.”
3 Geschil in hoger beroep
Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld, belanghebbende concludeert tot een waarde van € 170.000.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.