Home

Gerechtshof Amsterdam, 11-08-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2568, 21/00493

Gerechtshof Amsterdam, 11-08-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2568, 21/00493

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11 augustus 2022
Datum publicatie
7 september 2022
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:2568
Zaaknummer
21/00493
Relevante informatie
Art. 16 onderdeel c WOZ, Art. 16 onderdeel d WOZ, Art. 17 lid 2 WOZ, Art. 18 lid 3 onderdeel a WOZ, Art. 22 WOZ

Inhoudsindicatie

WOZ-waarde woning. Is er sprake van één onroerende zaak?

Uitspraak

kenmerk 21/00493

11 augustus 2022

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , als enig erfgenaam van [Y] , belanghebbende,

gemachtigde: A. Oosters (WOZ Consultants)

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 20/1538 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 10 juni 2021 in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] , de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking, gedagtekend 28 februari 2019, op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [straatnaam] 1 te [Z] , naar de waardepeildatum 1 januari 2018, voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 136.000. Tevens is de aanslag onroerende-zaakbelasting voor dat jaar opgelegd.

1.1.2.

Gelijktijdig is door middel van hetzelfde geschrift op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [straatnaam] 1a te [Z] , naar de waardepeildatum 1 januari 2018, voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 138.000. Tevens is de aanslag onroerende-zaakbelasting voor dat jaar opgelegd.

1.2.

[Y] heeft tegen de WOZ-beschikkingen bezwaar aangetekend.
Met dagtekening 29 januari 2020 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en de bestreden waardebeschikkingen gehandhaafd.

1.3.

[Y] heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van een immateriëleschadevergoeding aan belanghebbende van € 500, tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 534, en de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht van € 48 aan belanghebbende te vergoeden.

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is als faxbericht bij het Hof ingekomen op 13 juli 2021. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2022. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

[Y] (hierna ook: erflater), overleden in juli 2020, was eigenaar van de onroerende zaak [straatnaam] 1 (hierna: woning 1) en van de onroerende zaak [straatnaam] 1a (hierna: woning 2). Woning 1 is een benedenwoning en woning 2 is de boven woning 1 gelegen bovenwoning. In het verleden was woning 1 een winkel en woning 2 de winkelierswoning. Beide woningen hebben (elk afzonderlijk) een toegangsdeur op straatniveau, een keuken en sanitair.

2.2.

Tot de gedingstukken behoren bij het beroepschrift in eerste aanleg overgelegde foto’s, behorend bij een in opdracht van [Y] opgesteld WOZ-waarderapport van 2 maart 2020. Op de foto’s is onder meer een deur te zien, zonder glas. Deze deur heeft op de foto’s geen slot. In het rapport zijn de foto’s voorzien van het onderschrift ‘tussendeur tussen 1 en 1a’. Tevens is, zoals ook de rechtbank heeft vastgesteld, een klein gat in de deur te zien, boven het deurbeslag.

2.3.

Naar de rechtbank heeft vastgesteld is bij inpandige opnames in 2014 en 2017 waargenomen dat de onder 2.2 bedoelde deur afsluitbaar was.

2.4.

Bij het hogerberoepschrift heeft belanghebbende een (ongedateerde) verklaring overgelegd van de schoondochter van de erflater. Hierin is het volgende vermeld:


“Edelachtbare,
Mijn schoonvader had tot 2 keer toe bezwaar aangetekend tegen de wozwaarde / objectafbakening van de gemeente [Z] . Twee keer werd het bezwaar met dezelfde argumenten afgewezen. Wij hebben toen medio 2018 uit de tussendeur het slot verwijderd. Dat maakte toch niet zoveel uit want die deur zat nooit op slot.
Meneer Oosters heeft ons uitgelegd dat we moeten bewijzen dat de deur voor 1 januari 2019 niet meer op slot kon. Dat kunnen we niet. Ik heb geen foto’s of andere stukken die zoiets aannemelijk kunnen maken. Ik kan het alleen aan u verklaren. Bij deze.”

2.5.

Volgens door de heffingsambtenaar bij zijn verweerschrift in hoger beroep overgelegde gegevens ontleend aan de Basisregistratie Personen, werd op 1 januari 2019 woning 1 bewoond door erflater, en woning 2 door [A] en [B] .

3 Geschil in hoger beroep

Evenals voor de rechtbank het geval was is tussen partijen in geschil of voor de toepassing van de Wet WOZ woning 1 en woning 2 als één onroerende zaak (object) moeten worden aangemerkt, zoals belanghebbende stelt, dan wel of die woningen twee afzonderlijke onroerende zaken (objecten) zijn, als waarvan bij het vaststellen van de WOZ-waardebeschikkingen 2019 is uitgegaan.

4 Het oordeel van de rechtbank

5 5. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

6 Kosten 6.1. Aangezien het hoger beroep gegrond is zal het Hof de inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende.

7 7. Beslissing