Gerechtshof Amsterdam, 20-04-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1014, 22/00022
Gerechtshof Amsterdam, 20-04-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1014, 22/00022
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 april 2023
- Datum publicatie
- 17 mei 2023
- Zaaknummer
- 22/00022
- Relevante informatie
- Art. 225 Gemw, Art. 234 Gemw
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslag parkeerbelasting; parkeren of laden en lossen; forfaitaire heffing.
Uitspraak
kenmerk 22/00022
20 april 2023
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , woonachtig te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: [A] )
tegen de uitspraak van 6 december 2021 in de zaak met kenmerk AMS 21/3354 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 13 januari 2021 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 69,80, bestaande uit € 4,50 aan nageheven parkeerbelasting en € 65,30 aan kosten. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
Bij uitspraak op bezwaar van 13 mei 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. In haar uitspraak van 6 december 2021 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof
ingekomen op 17 januari 2022 en aangevuld bij brief van 15 februari 2022. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2022. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
Het Hof neemt hetgeen de rechtbank onder 1 heeft opgenomen over als feiten:
“1. Aan [belanghebbende] is een naheffingsaanslag opgelegd, omdat haar auto op 8 januari 2021 om 19.33 uur ter hoogte van [a-straat 1] stond, terwijl hiervoor geen parkeergeld was betaald.”
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hier nog de volgende feiten aan toe.
Een scanauto heeft de auto van belanghebbende om 19.33 uur stilstaand aangetroffen en geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Van de controle zijn foto’s gemaakt die tot de gedingstukken behoren. Op die foto’s is te zien dat de auto van belanghebbende stil staat met gesloten deuren en een gesloten kofferbak en zonder personen in de directe omgeving daarvan.
In de Verordening parkeerbelastingen Amsterdam 2021 (hierna: de Verordening) is het volgende vermeld:
“Artikel 1 Parkeerbelastingen
Onder de naam van parkeerbelastingen worden de volgende belastingen geheven:
a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;
(…)
Artikel 2 Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;
(…)
Artikel 5 Tarief, tijdvak en maatstaf van heffing
Het tarief, het tijdvak en de maatstaf van heffing zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.”
In de Tarieventabel 2021, behorende bij de Verordening (hierna: de Tarieventabel) is het volgende vermeld:
“Hoofdstuk 5 Tarieven bij parkeerapparatuur (minutenparkeerrecht)
Het tarief in de tariefgebieden 1, 2, 3 (…), zoals bedoeld in hoofdstuk 1, voor het parkeren als bedoeld in art. 1, onderdeel a, van de Verordening Parkeerbelastingen, bedraagt (…):
|
(…) |
(…) |
|
in tariefgebied 3 |
€ 4,50 per 60 minuten” |
3 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. In het bijzonder is in geschil of sprake is van laden en lossen en of de heffingsambtenaar forfaitair op basis van een parkeerduur van een uur mag naheffen.
De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen:
“2. Tussen partijen is in geschil of sprake is van parkeren. Op de plek waar [belanghebbende] met haar auto stond, moet voor parkeren betaald worden. Van parkeren is alleen geen sprake wanneer onmiddellijk personen in- en uitstappen of onmiddellijk zaken geladen en gelost worden [voetnoot: Dit staat in artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening Parkeerbelastingen 2020 van de gemeente Amsterdam]. Op degene die zich op het standpunt stelt dat géén sprake is geweest van parkeren, rust de bewijslast [voetnoot: Zie bijvoorbeeld de uitspraken van het gerechtshof Amsterdam van 10 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4311 en van 23 [november] 2017, ECLI:GHAMS:2017:5030]. Dat betekent dat het in dit geval op de weg van [belanghebbende] ligt om aannemelijk te maken dat sprake was van onmiddellijk laden of lossen.
3. Dit heeft [belanghebbende] naar het oordeel van de rechtbank niet gedaan. Volgens [belanghebbende] was sprake van het laden en lossen van een Green Egg barbecue en andere losse spullen. Echter, blijkt dit niet uit de scanfoto’s. Op de foto’s is te zien dat de deuren en de achterbak van de auto dicht zijn. Ook zijn op de foto’s geen personen te zien.
4. Voor zover [belanghebbende] stelt dat een tweede controleur de controle had dienen te bevestigen, overweegt de rechtbank dat per 1 januari 2016 de controle op het betalen van parkeerbelasting in de gemeente Amsterdam wordt uitgevoerd door een ‘Deskforce’. De Deskforce bepaalt aan de hand van de foto’s die zijn gemaakt door een scanauto of controle door een parkeercontroleur ter plaatse nodig is. De heffingsambtenaar voldoet met het Deskforce-systeem in beginsel aan zijn bewijslast. Dat volgens [belanghebbende] uit de uitspraak van deze rechtbank van 21 april 2017 [voetnoot: ECLI:NL:RBAMS:2017:2740] volgt dat een tweede nachtelijke controle dient plaats te vinden, volgt de rechtbank niet. In voornoemde uitspraak komt slechts naar voren dat ’s nachts een zogenaamde ‘controlerun’ plaatsvindt waarbij nogmaals wordt gecontroleerd of er parkeerbelasting is betaald voor het betreffende voertuig. Deze ‘controlerun’ vindt niet op de locatie van de controle plaats, maar in het systeem. [Belanghebbende] kan zich hier dus niet succesvol op beroepen.
5. [ Belanghebbende] voert verder aan dat zij een deel van het uur volgend op het tijdstip van de naheffingsaanslag heeft betaald. Dit bedrag is niet in mindering gebracht op het te betalen bedrag, terwijl ook niet is gekozen voor het in rekening brengen van een forfaitaire termijn van één uur. Volgens [belanghebbende] is dit in strijd met het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2019 [voetnoot: ELCI:NL:HR:2019:56]. Mocht de forfaitaire termijn van één uur toch van toepassing zijn, dan brengt de heffingsambtenaar meer parkeertijd in rekening dan verschuldigd; het meerdere is een boete. Daarnaast is ook een boete opgelegd ter hoogte van € 65,30. Tweemaal een boete voor hetzelfde feit is in strijd met het “ne bis in idem” beginsel, aldus [belanghebbende].
6. Ook deze beroepsgronden slagen niet. In artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat forfaitair mag worden nageheven op basis van een parkeerduur van een uur. De naheffingsaanslag bestaat uit de kosten voor het opleggen van de aanslag en de kosten voor één uur parkeren ter plaatse. Dat is dus in lijn met de wet én het door [belanghebbende] genoemde arrest van de Hoge Raad. Anders dan [belanghebbende] stelt zijn de kosten voor het opleggen van de naheffingsaanslag niet gelijk te stellen aan een (fiscale) boete. Ook is geen sprake van strijd met het ‘ne bis in idem’ beginsel. Dit beginsel mist toepassing bij naheffingsaanslagen parkeerbelasting, waar geen sprake is van een sanctie of bestraffing, maar het (na)heffen van belasting.
(…)
9. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht aan [belanghebbende] is opgelegd.
10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.”